Wat zoek je in de Digitale Collectie Zeeland?

Samenvatting brief

Rede ParamariboDe rede van Paramaribo in het laatste kwart van de zeventiende eeuw Nicolas Combe schrijft een brief aan David Kempe in Middelburg. Hij begint zijn brief met de mededeling dat hij de brieven en de rekeningen ontvangen heeft met het schip Aerdenburg waarop Jan Andriessen schipper is. Nicolas Combe dankt hem voor alle genomen moeite en schrijft tevens dat zijn lading nu nog niet gelost is.
Nicolas Combe heeft via anderen personen gevraagd om suikerketels te zenden, maar deze personen hebben via schipper Soeteling hun ketels al ontvangen dus is het niet langer nodig die ketels te zenden, maar enkel de gespecificeerde goederen die opgenomen zijn in de lijst.
Vervolgens schrijft Combe dat ongeveer twee jaar geleden een schipper die naar de naam Jan Barbari luistert hier te Suriname was aangekomen. Barbari bracht onder andere koeien. De gouverneur had er enkele gekocht en daarvoor een obligatie ondertekend. De obligatie heeft Jan Barbari mee naar het vaderland genomen om die aan Jan Jansen (Marous) te overhandigen waardoor de betalingen via een wisselbrief (van 4.048 pond suiker) te innen zijn bij David Kempe.
De wisselbrief is aan de boekhouder, Cornelis Christiaensen (ondertussen overleden) gegeven op het schip van Frans Roijs, daar is de wissel verloren gegaan.
Toen de schipper thuis kwam heeft hij zijn boekhouder gemeld dat hij zijn uitstaande schulden uit handen had gegeven aan Jan Jansen.
Deze boekhouder, Cornelis Christiaensen stuurt aan Nicolas Combe een volmacht om de uitstaande obligatie te innen. Via de zoon van Cornelis Christiaensen, Francois krijgt Combe te horen dat zijn vader nooit de brief ontvangen heeft. Combe zal opnieuw een brief sturen naar Jan Jansen.
Er is verwarring over uitstaande obligaties en wisselbrieven en of die wel of niet betaald zijn. Wissels zijn verloren gegaan en de boekhouder Christiaensen is inmiddels overleden.
Verder merkt Combe op dat David Kempe rekeningen stuurt voor lijnwaad. Combe twijfelt over de prijs. Gaat het over gewoon Vlaams ongebleekt lijnwaad of Osnabruck’s lijnwaad want dat verschilt in afmeting en prijs.
Tenslotte komt Combe zelf tot de conclusie dat hij het fout heeft gezien en bedankt Kempe voor de gezonden goederen.

In het laatste gedeelte van de uitgebreide brief schrijft Combe nog over schipper Voogd die paarden heeft gebracht naar Suriname. Voogd heeft onderweg slecht weer gehad, maar heeft tijdens de reis slechts acht paarden verloren. Schipper Voogd krijgt ook nog een flinke boete van 2.000 gulden omdat hij zijn schip eerder niet in Zeeland maar op Texel had gelost.
Hiermee sluit Combe de brief af en wenst Kempe een gelukzalig nieuwjaar.
Vervolgens komt er nog een ps. Luitenant Huybert verlangt zeer naar zijn moeder in het vaderland, Combe vraagt aan Kempe dat als hij bij de secretaris komt of bij de heer de gouverneur of hij dan een goed woordje voor hem wil doen.

Hiermee leek de brief ten einde te komen maar Combe schrijft lustig verder, zolang dat nog kan en meldt dat hij zijn lading inmiddels heeft ontvangen op een half oxhoofd en vijf ankers na die nog aan boord zullen zijn. Hij is tevreden over de messen en bedankt Kempe daarvoor.Nieuwe Kaart van SurinameNieuwe kaart van Suriname door J. Ottens, eind 17de eeuw 
Kempe stuurt een cognossement voor rekening van de heer gouverneur Lichtenbergh mee. De goederen zijn in gescheept op de Poelwijck met schipper Cornelis Berghe.

Vervolgens zendt Combe een privé lijst mee waarin hij van alles en nog wat ‘besteld’ onder andere stuurt hij een uitgeknipt(uitgesneden) patroon van zijn oude schoenen (zowel de linker als de rechter) en wil van die maat graag zes paar nieuwe hebben. De vorige die hij gevraagd had bleken niet de goede maat te zijn en door het op deze manier te doen hoopt hij dat de nieuwe schoenen hem wel zullen passen. Daarnaast staan er op zijn lijst, spijkers, linnen, messen, boter, kazen, Spaanse zeep, stof voor rokjes, kousen en hemden om zelf kleding van te maken. Verder nog vrouwenschoenen, hoeden, peper, folie, kruitnoten, kruidnagel, een waterpot, zes paar gebreide kousen van garen voor mannen en zes paar gebreide kousen voor vrouwen. Verder stof om lakens, kousen en hemden voor de gewone man te laten maken.

De laatste van deze acht bladzijden tellende brief bevat een cognossement ondertekend door Combe waarin een opsomming gegeven wordt van de getransporteerde goederen die schipper Berghe zal overhandigen aan David Kempe solliciteur.

David Kempe en andere personen
In de brief komen diverse personen voor die in tal van andere brieven binnen Zee(uw)post ook een rol spelen, zoals voormalig gouverneur Lichtenburg, de kapitens Jan Andriessen, de Voogd en Soetelinck, de Zeeuwse koopmvan François Christiaensen

David Kempe werd op 26 juli 1691 begraven en was woonachtig op de Wal in Middelburg.[1] Tijdens zijn leven was hij onder meer diaken (vanaf 1672) en meermalen ouderling (vanaf 1676 tot 1691) van de Nederduitsch Gereformeerde Gemeente in Middleburg.[2]

Nicolas Combe
Nicolaas Combe (ca. 1650-1691) was waarschijnlijk afstammeling van Franse Hugenoten, en getrouwd met Anthoinette d'Outreleau, mogelijk familie van de predikant Louis d'Outreleau an de Waalse kerk te Middelburg. Hij werd in 1667 door kapitein Dubois uit Berbice, nu deel van (Brits) Guyana, gehaald om secretaris te worden van Abraham Crijnssen. Hij werd vervolgens commies van de vivres en ammunitie en daarna ontvanger-generaal van 's Lands middelen.
Dat hij mogelijk van Franse afkomst is wordt afgeleid van het feit dat hij zijn brieven in het Frans schrijft.

Abraham Crijnssen had tijdens de Tweede Engelse Oorlog als commandeur Fort Zeelandia in februari 1667 Suriname veroverd op de Engelsen. Hij ging verder met oorlog voeren op Tobago, Sint Eustatius, Martinique en Nevis en voer zelfs door tot Virginia. Daar in de monding van de Jamesrivier veroverde hij een vloot van schepen volgeladen met tabak.
Nicolaas Combe was een heel ander type man dan Abraham Crijnssen. In een door oorlog verscheurd Suriname, dreigden Indianen de suikerrietplantages in brand te steken en vele plantage-eigenaren dachten eraan om weg te trekken. Om het tij te keren en ook om zijn eigen plantages niet ten onder te laten gaan, richtte Combe zich op het besturen van het land. Door zijn ambten en zijn striktheid was hij niet erg populair.
Hij meldde verschillende corruptiezaken: Gouverneur Johannes Heinsius had hem al in geen vier jaar loon betaald, maar hij inde zelf wel diverse belastingen; kapitein Dubois werd beschuldigd van diefstal; en eerder werden ook de kwalijke praktijken van gouverneur ad interim Pieter Versterre al gemeld.
Na twaalf jaar dienst legde hij zijn ambt in de kolonie neer. Combe lijkt een godsdienstig man te zijn geweest: in 1669 werd hij de eerste diaken in de Hervormde Kerk en in 1690 volgde zijn benoeming tot kerkmeester. In dat jaar werd hij ook Commissaris van de desolate boedelkamer. Hij overleed in Paramaribo in 1691. In Paramaribo is een wijk Combé naar hem genoemd. Eerder was daar de plantage Combé die rond 1800 werd verkaveld, waarna de eerste huizen werden gebouwd. Er bestaat ook nog steeds een Kleine- en Grote Combéweg. Zijn vrouw Antoinette hertrouwde in 1692 met Johannes van Dijk.[3]

De positie van Suriname aan de vooravond van de Derde Engelse Oorlog
De Derde Engelse Oorlog (1672-1674) eindigde met de Tweede Vrede van Westminster. Suriname was reeds in 1667 door Abraham Crijnssen veroverd op de Engelsen. Op hun beurt hadden de Engelsen Nieuw-Amsterdam in bezit genomen. In 1673 werd het weer op de Engelsen heroverd, maar in het vredesverdrag stond dat deze kolonie definitief aan de Engelsen werd overgedragen en de Nederlanders (Zeeuwen) behielden Suriname. De Engelsen hadden aan de monding van de Suriname-rivier het houten fort Willoughby gebouwd. Dit werd versterkt met kanonnen en bemand met soldaten. Thorarica was niet langer de hoofdstad, deze werd verplaatst naar de omgeving van het Fort Zeelandia en werd Nieuw Middelburg (later Paramaribo) genoemd. De stad was daardoor makkelijker te verdedigen en het had een gunstiger ligging voor de handel. Na 1667, het einde van de Tweede Engelse oorlog, moesten de Engelse bestuurders het land verlaten. Het land werd evenals de plantages geplunderd. Veel planters werden gedwongen om met hun slaven te vertrekken naar het nabij gelegen St. Kitts. Wie bleef diende een eed van onderwerping aan het Zeeuwse gezag af te leggen. Deed men dit, dan bleef men dezelfde rechten houden die er onder het Engelse bestuur golden. De meeste planters vertrokken en het was zodoende lastig om met een paar honderd mensen van Suriname een winstgevende kolonie te maken. Het resulteerde er in dat Zeeland Suriname in 1682 aan de WIC verkocht. De Nederlanders waren ten opzichte van Nieuw-Amsterdam meer gebrand op Suriname omdat men er voor het maken van maximale winst en een zo goed mogelijke handel meer mogelijkheden zag. In Suriname lagen grote plantages waar Nederlanders veel producten verbouwden. De kolonie Nieuw-Amsterdam was niet gericht op verbouw van producten, slechts op de handel. Men vond het in die tijd daarom gunstiger om Suriname in handen te hebben. Er werd daar ook bauxiet gevonden en van deze grondstof verwachtte men veel: men dacht een grondstof monopolie in handen te hebben. Dat bleek een misvatting: bauxiet bleek (voorlopig) nog niet goed bruikbaar en werd pas veel later een belangrijk exportproduct.

Literatuur
*G.W. van der Meiden, Betwist bestuur. De eerste bestuurlijke ruzies in Suriname, 1651-1753 (Amsterdam, 2008).
*John H. de Beye, Torarica, de oude hoofdstad van Suriname (Zutphen, 2017).
*F. Dikland, Zeeuwse archivalia uit Suriname en omliggende kwartieren 1667 – 1683 (2003).
*F. Oudschans Dentz, 'De oorsprong van de naam Combé', in: De West-Indische Gids 31/1 (1949) 28–34.
*Tobias van Gent, et al., Zeeuwse zeehelden. Uit de zestiende en zeventiende eeuw (Vlissingen, 2012).
*L.J. Joosse, Geloof in de Nieuwe wereld: ontmoetingen met Afrikanen en Indianen (1600-1700) (Kampen,  2008) 334-335.
*Jan Marinus Linde, Surinaamse suikerheren en hun kerk: plantagekolonie en handelskerk ten tijde van Johannes Basseliers, predikant en planter in Suriname, 1667-1689 (Wageningen, 1966) passim.

Noten
[1] ZA, toegang 511, Rekenkamer D, inv.nr. 59471.
[2] F. Nagtglas, 'De algemeene kerkeraad der Nederduitsch-hervormde gemeente te Middelburg van 1574-1860' (Middelburg 1860) 82-84, 159.
[3] Nicolaas Combe op Suriname.nu en wiki Nicolaas Combe


Bij deze context horen de volgende brieven: