Wat zoek je in de Digitale Collectie Zeeland?

Inhoud brief

Jannes doet de groeten aan zijn broer en laat weten, dat hij zijn brief ontvangen heeft en is blij te horen dat het de vrienden en zijn vader ook goed gaat. Hij beklaagt zich over de beschuldigingen van Maerten, maar zegt dat God wel weet dat hij dit niet op zijn geweten heeft. De goddeloze mensen beschuldigen hem, maar hij zal geen bekentenis afleggen voor iets dat hij niet gedaan heeft. Hij heeft de koopwaar van Jan Blondel verkocht en daar heeft hij het erg druk mee. Hij is verbaasd over het aantal van twaalf schepen, waaronder die van de kapiteins Klaas Raes en Jan Dommisse, en die afkomstig zijn van Amsterdam en Vlissingen. Jannes bedankt de vrouw van Philippus omdat ze zo aardig voor hem geweest is, maar heeft het nu te druk met het verhandelen van de goederen van Maerten. Hij laat zijn vader en de vrienden groeten.

Taalkundige aspecten van de tweede brief

Op de achtste januari stuurt Jannes twee brieven aan zijn vrouw en één aan zijn broer. Ditmaal heel persoonlijk en ook in een ander handschrift geschreven dan de zakelijke brieven.[1] Het lijkt er dus op dat hij de zakelijke beslommeringen door een meer ervaren schrijver op schrift heeft laten stellen, maar hij zijn eigen gevoelens zelf op papier wilde stellen. In deze brief aan zijn broer is sprake van een zeer slechte spelling en veel afgekorte woorden, zoals die onder letterkundig slecht onderlegde mensen gebruikelijk zijn. Zo schrijft hij in deze brieven 'duis' in plaats van 'duisend', 'kiers' in plaats van 'kinders', 'menscen' in plaats van 'mensen' of 'menschen' en schrijft hij God met d, t, dt en oe als 'Goedt' Ook laat hij als fonetisch schrijvende Zeeuw de h weg uit woorden als '[h]eeft', '[he]el' en heeft hij het over 'tues' (tuus in het Zeeuws, thuis in het Nederlands). Deze brief is, evenals die aan zijn vrouw, doordrenkt van diepe religieuze beleving.

De ontwikkeling van plantages in Suriname in het derde kwart van de zeventiende eeuw

Biografische gegevens Jannes en Maria van Bambeke

Van Jannes en zijn vrouw Maria van Bambeke is zo goed als niets bekend. Maria van Bambeke werd op 22 januari 1693 begraven in Middelburg. Ze was op dat moment niet meer woonachtig in de Nieuwstraat maar op de Dam.[2] Uit de brief aan Maria van Bambeke blijkt dat Jannes een broer heeft, hetgeen deze Philippus is, maar uit deze brief blijkt ook dat hij nog een vader heeft.[3] Aangezien Philippus op de Dam woonde, en Maria daar later ook zou wonen, is zij waarschijnlijk in het huis van Jannes' broer getrokken.

Literatuur

Noten

  1. Brief aan François Christiaensen, 8 januari 1672
  2. ZA, Rekenkamer D, inv.nr. 59491 via:Zeeuwengezocht.nl
  3. Brieven van Jannes aan Maria van 8 januari 1672 en Context bij de brief








Bij deze context horen de volgende brieven: