Wat zoek je in de Digitale Collectie Zeeland?

Inhoud verlovingsaankondiging

Op 19 oktober 1780 lieten Dirk Hendrik Macaré en Laurentia Geertruida Jacoba van Bercheyck hun vrienden, bekenden en relaties weten dat zij op 26 oktober 1780 in ondertrouw zouden gaan. De aankondiging wordt aan ruim dertig personen gestuurd. Gezien de afstand konden dezen uiteraard niet komen laat staan de brief daartoe tijdig ontvangen. Het was een kennisgeving zoals de etiquette in de hogere kringen deze voorschreef. Dat blijkt uit de namen op de uitnodigingen zoals Schorer, Van der Perre, Steengracht, De Mauregnault, Hurgronje en anderen. Families die belangrijke posities bekleden binnen de Staten van Zeeland, de Admiraliteit en handelscompagnieën. Het is wel mogelijk dat de uitnodiging heeft gediend om cadeaus of gelegenheidsgedichten te ontvangen, iets dat gebruikelijk was in die kringen in die tijd. Omdat de brieven nooit aankwamen zijn er echter ook geen gedichten over het paar bekend. De brieven werden meegegeven met het schip Negotie en zeevaart van kapitein Pieter Stegman. Dit schip vertrok op 30 januari 1781 vanuit Demerary met een lading koffie, katoen en suiker richting Middelburg. Het schip werd opgebracht door de Engelse kaper Howe Lady en naar Dartmouth gebracht. Na een lang proces waarin de Middelburgse rederij Boudaen & Van den Bosch protest aantekende tegen de neming in verband met een proclamatie die de commandeur van de Britse vloot op 23 februari 1781 sloot bij de overgave van de kolonie, werd het schip uiteindelijk toch als rechtmatige prijs aangemerkt door het High Court of Admiralty.[1]

Familienetwerk van de heer en mevrouw Macaré en Bercheijck

Dirk Hendrik Macaré werd op 24 augustus 1756 geboren in Middelburg. Hij was de zoon van Dirk Macaré (27 september 1706 - 16 december 1774), heer van Serooskerke en Elisabeth Cornelia Cau. De moeder van Cornelia Elisabeth Cau was Elisabeth Wilhelmina de Mauregnault. Na het doorlopen van de Latijnse School vertrok Dirk Hendrik al op negentienjarige leeftijd naar Demerary. Daar kreeg hij een aanstelling als raadslid en vendumeester. Hij leerde er de twaalfjarige Laurentia van Bercheyck kennen. Zij was de dochter van Laurens Lodewijk van Bercheyck, de commandeur van Demerary (1731-1764) en Maria Catharina Storm van 's Gravensande (1734-1771). Zij was tevens kleindochter van gouverneur Laruens Storm van 's Gravesande en dus een zeer interessante partij. Beiden trouwden op 29 december 1780 in de kolonie. In 1785 zou het paar repatriëren uit Demerary om in Middelburg te gaan wonen. Daar werd Macaré aangesteld als baljuw.[2] De bekendmakingen van de ondertrouw van het echtpaar werden op 19 oktober 1780 aan de volgende families verstuurd:

  • (01) Baest - Vlissingen
  • (02) Mevr. P.G. van Berckel van der Manderen van Ouwerkerk - Middelburg
  • (03) Bert - Middelburg
  • (04) Bijleveldt - Veere
  • (05) I. Casembroot (kapitein-luitenant) - ?
  • (06) I. Cau (luitenant-kolonel en commandant stad Veere) - Veere
  • (07) Mevr. E.C. Cau, weduwe Maccaré - Middelburg
  • (08) Chalmers (raadpensionaris) - Middelburg
  • (09) Van Citters (oud burgemeester Middelburg) - Middelburg
  • (10) Mevr. L.C.E. Clunder Casembroot - Breda
  • (11) Mej. Van Doorn - Vlissingen
  • (12) Mej. Emtorn - Vlissingen
  • (13) F. Godin (bewindhebber VOC) - Middelburg
  • (14) A. van der Goes - 's-Gravenhage
  • (15) C. van den Helm Boddaert (bewindhebber WIC) - Middelburg
  • (16) Mevr. A. Hurgronje Huijssen van Kattendijke - Middelburg
  • (17) Mr. P.I. Maccaré (stadpensionaris Middelburg) - Middelburg
  • (18) E. van Manderen (bewindhebber WIC) - Middelburg
  • (19) Mevr. Mauregnault, weduwe Vogel - IJsselstein
  • (20) D. Mauregnault (pensionaris) - Middelburg
  • (21) C. Mauregnault (schepen en raadslid Veere) - Veere
  • (22) G.F. Meijners (raadsheer Hof van Vlaanderen) - Middelburg
  • (23) P.E. van de Perre (raadsheer Hof van Vlaanderen) - Middelburg
  • (24) Mr. van de Perre (schepen en raadslid Middelburg) - Middelburg
  • (25) A. van der Poort van Oostcapelle (bewindhebber VOC) - Middelburg
  • (26) Mevr. Pous - Middelburg
  • (27) I. Schorer - Middelburg
  • (28) Nicolaas Steengracht van Oosterlandt (fiscaal en raadslid Admiraliteit van Zeeland) - Middelburg
  • (29) Mej. Trintier weduwe Castel - Vlissingen
  • (30) E.P. van Visvliet (kiesheer Middelburg) - Middelburg
  • (31) Jonkvr. H. van Visvliet - Middelburg
  • (32) Mr. Wils (raadsheer Hof van Vlaanderen) - Middelburg

(02) Mevrouw P. G. van Berckel was gehuwd met J. van der Manderen, burgemeester van Middelburg, Heer van Ouwerkerk. Zij woonde te Middelburg. Deze J. van der Manderen was er bij toen Prins Willem IV zijn intocht hield in Vlissingen. Deze Van der Manderen en zijn vrouw waren kunstverzamelaars. Deze verzameling ging na hun overlijden over op hun dochter die een lid van de familie Steengracht trouwde. Deze Steengracht kocht kasteel Duivenvoorde in Voorschoten. Johan Steengracht van Oostcapelle (1782-1846) was de eerste directeur van het Mauritshuis in Den Haag. Uiteindelijk is een groot deel hiervan als de Collectie Steengracht in het Mauritshuis terechtgekomen, maar ook op het kasteel Duivenvoorde te Voorschoten bevinden zich nog bezittingen van de familie Steengracht.

(04) Jan Bijleveldt (Veere 28 oktober 1736 (doop) - Veere 4 juni 1788)was mogelijk gehuwd met Jacoba Johanna Godin. [3]

(08) Johan Marinus Chalmers was van 1770 tot 1785 Raadpensionaris van Zeeland.

(09) Jacob van Citters (3 december 1708 - 29 maart 1792) is de jongste zoon van Caspar van Citters en Madgalena Verheije. Hij was van 1726 tot 1784 Schepen en Raad van Middelburg. In 1747 werd hij burgemeester. Dit ambt vervulde hij tot 1783 dertien maal, telkens voor een periode van drie jaar. Vanaf 1745 was hij één van de tien hoofdparticipanten van de VOC, Kamer Zeeland. Hij trouwde in 1751 met Sara Boudaen (1718 - 1781), Vrouwe van Popkensburg. Van de uit dit huwelijk geboren kinderen werden er uiteindelijk twee zoons en een dochter volwassen. Van Citters woonde vanaf 1731 in de Noordstraat in Middelburg en vanaf 1763 op Slot Popkensburg te Sint Laurens. Zijn zoon Caspar Jacob was van 1775 tot 1795 Bewindhebber van de WIC.

(11) Abraham van Doorn (1760-1814) was schepen en maire (burgemeester) van Vlissingen. Een voorouder, Hendrik van Doorn, vertrok in 1694 vaar West-Indië en werd er directeur van de plantages Vlissingen en Berbice. Hij stierf in 1714 als gegijzelde in Frankrijk. De directie over de plantages werd door zijn vrouw Trijntje Moerkerken (1673 - circa 1750) voortgezet. haar zoon en kleinzoon waren ook planters. Abraham is een achterkleinzoon van Hendrik. Deze Juffrouw Van Doorn is mogelijk een klein-/achterkleindochter van deze Hendrik.

(13) F. Godin betreft mogelijk Guillaume Frederic Godin (1742-1793), bewindhebber bij de VOC te Middelburg.

(14) Adriaan van der Goes (Den Haag 14 mei 1722 - Den Haag 8 december 1797) was van 1747 tot 1752 schepen en van 1752 tot 1793 burgemeester van Den Haag. Verder was hij advocaat bij het Hof van Holland en later ook advocaat bij het Leenhof van Brabant en de Landen van Overmaze. In 1795 werd hij lid van de Provisionele Representanten van het Volk van Holland. Van der Goes trouwde op 29 oktober 1748 met Cornelia Martina Vlaerdingerwout (1726-1762), een dochter van de Heer van Dirxland, Wijk, Veen en Aalburg. In 1762 erfde hij van zijn schoonvader de Heerlijkheid Dirxland. [4]

(15) Cornelis van der Helm Boddaert (1727 - 1800) trouwde op 9 maart 1750 te Middelburg met Anna Virginia Scholten (1723-1751). Nadat hij weduwnaar was geworden trouwde hij voor de tweede keer, ditmaal met Reinbrandina Cornelia Hurgronje (1729-1778), ook in Middelburg. Hij richtte in 1771 met anderen de Sociëteit ter Navigatie op Essequebo en annexe Rivieren (SNER) op en hij werd in 1774 directeur van de Sociëteit van Suriname.[5]

(16) Familie Hurgronje. Jacob Hurgronje (1694-1759) was raad, schepen en burgemeester van Vlissingen. In 1734 trouwde hij met Erkenraad Snouck. Hij plaatst de naan van zijn vrouw voor zijn eigen naam: Snouck Hurgronje. Anna Hurgronje (1726-1791) trouwde op 18 november 1749 te Middelburg met Alexander Johan Hiëronymus Huijssen van Kattendijke (1717-1762).

(17) Pieter Johan Macaré (1732-1781) werd in 1756 tweede secretaris, in 1765 eerste secretaris en tot zijn dood pensionaris van Middelburg.

(19) De weduwe Vogel is Johanna Gerardina de Mauregnault (Batavia 9 april 1740 - Utrecht 7 oktober 1780). Zij was weduwe toen ze op 7 juli 1771 trouwde met Coenraad Willem Kelderman. Deze Kelderman was baljuw in Utrecht.

(24) Maarten Johan Veth van de Perre, heer van Westkapelle en Nieuwland (Middelburg 15 augustus 1747 - Middelburg 24 juli 1802), de jongste zoon van Johan van de Perre en Katharina Kornelia Steengracht. Hij trouwde in 1780 met Clasina Cornelia van Bronkhorst. Het huwelijk bleef kinderloos. Tot 1787 woonde hij in de Latijnse-Schoolstraat te Middelburg. In dat jaar werd het huis overgenomen door zijn broer Johan Adriaan om er het Middelburgs Departement van het Zeeuwsch Genootschap en andere verenigingen in te vestigen. Hij verhuisde naar een huis aan de Balans te Middelburg. In 1755 erfde hij van zijn oom Martinus Johan Veth (overleden 24 oktober 1755) de Heerlijkheid Westkapelle. In Middelburg was hij schepen, raad en burgemeester. In Westkapelle kreeg hij te maken met problemen rond de invoering van de Psalmberijming van 1773. Deze zou in Westkapelle in 1775 worden ingevoerd. Meningsverschillen hierover duurden voort tot 1787. Het gezag van de Heer van Westkapelle werd onherstelbaar aangetast en toen op 12 maart 1795 ook de Vrijheidsboom in Westkapelle werd geplant, was het gedaan met het gezag: de burgers van Westkapelle gaven Van de Perre te verstaan dat ze niet meer van hem gediend waren. Hij kreeg dit bericht bij hem thuis, op dat moment huize Duinvliet te Domburg.

(25) Johan Gualtherus van der Poort (Middelburg 4 oktober 1713 - Middelburg 6 mei 1784), Heer van Oostkapelle, trouwde op 28 juni 1745 in Middelburg met Johanna Suzanna van der Mandere (1714-1793).[6]

(26) Mevrouw Pous is mogelijk de weduwe van Pieter Pous (Utrecht 15 juni 1718 - Zierikzee 11 oktober 1780), bewindhebber van de VOC Kamer Zeeland.

(28) Nicolaas Steengracht d'Oosterland (Middelburg 27 november 1754 - Den Haag 13 december 1840), was de zoon van Johan Steengracht en Jacoba Magdalena Ockersse, Vrouwe van Oosterland, 's-Heer-Jansland en Oosterstein. Na zijn rechtenstudie in Leiden was hij onder meer raadslid in Veere, advocaat-fiscaal van de Admiraliteit van Zeeland in navolging van zijn vader, en kiesheer van Middelburg. Door het huwelijk van zijn ouders kreeg hij ook de titel Heer van Oosterland, Sirjansland en Oosterstein. Hij was al in het bezit van de Heerlijkheid Lammerenburg en door zijn huwelijk met Johanna Petronella Poort werd hij ook Heer van Oostkapelle (zie ook 25). In de Vierde Engelse Oorlog was hij namens de Admiraliteit van Zeeland afgevaardigde naar de Haagse Besogne. Na 1814 was hij Lid van de Eerste Kamer en Staadsraad in bijzondere dienst. In 1795 raakte hij zijn titels kwijt en hij verhuisde naar Den Haag. De familie Steengracht was verwant aan de geslachten Lonque, Verheije, Cau (zie 06 en 07), Stavenisse, Meerman, Ockersse en Van der Poort-Van der Mandere.[7]

(30) Egbert Philip van Visvliet (Middelburg 12 oktober 1736 - 1799) studeerde tegelijk medicijnen en rechten in Leiden. Hij raakte er bevriend met Johan Adriaan van de Perre. Hij was de zoon van Meinard van Visvliet en Agnieta Bachman die in Suriname was geboren. Deze Meinard van Visvliet trouwde nog een keer: met Johanna Margaretha Radeus, weduwe van ds. Petrus Maccaré. Zelf trouwde Egbert ook tweemaal. Voor het eerst met marie Catharina Wibo en de tweede maal met Pieternella Elisabeth van Goens. Hij woonde in de Brakstraat in Middelburg en was naast arts ook commissaris van de soldatenboedels en later ook voorzitter van het College van Kiezers en Weesmeesters. Van hem zijn het inkomen en dat van zijn vrouw bekend: respectievelijk tussen de ƒ 2.500 en ƒ 3.000 en tussen de ƒ 4.000 en ƒ 4.500. Hij had negen dienstbodes in dienst en reed in een koets met drie paarden. Hij bezat, samen met zijn broer Meinard en J. Rodier de plantage Houtthuijn, die een grootte had van 2.297 akkers[8] en de plantage Domburg. Het beheer lieten ze over aan de administrateur J. Stockel. Het huis van Van Visvliet in de Brakstraat heette mogelijk De Schulpe naar de omvangrijke schelpenverzameling die Van Visvliet in de loop der jaren had opgebouwd. In de familie Van Visvliet komen kinderen voor met de achternaam Van Visvliet, Maccaré, Vos, en Van Goens.[9]


Demerary en Essequebo tijdens de Vierde Engelse Oorlog

De kapiteins Cornelis Loeff en Rochus van Swyndregt (schippers op de MCC-schepen Watergeus en Planterslust) verklaarden voor de Middelbrugse notaris Andreas Schouten dat zij op 27 februari 1781 met hun eigen en enige andere schepen voor anker lagen in de rivier de Essequibo. Die dag bracht een Spaans schip het bericht van de oorlog en dat al enkele Nederlandse schepen waren buitgemaakt door Engelse kaperschepen. Loeff begaf zich naar de wal om gouverneur Trotz te spreken. Deze brak het onderhoud af, waarop Loeff en de andere zes kapiteins besloten hun schepen onder de bescherming van het fort voor anker te laten liggen. Daar wachtten ze op orders van Trotz om hun schepen gevechtsklaar te maken. Een door Trotz naar Demerary gestuurde verkenningseenheid keerde spoedig terug met de mededeling dat Demerary al in Engelse handen gevallen was. Loeff wilde zijn schip verdedigen en beloofde 10.000 gulden. De bemanning wilde weten of dit geld van de MCC of van de WIC kwam en toen Trotz meedeelde dat de kapiteins zich bij onverhoopt attaque van den vijand hebben te ruguleeren naar de manoeuvres van het forteresse was het hen en Loeff duidelijk dat zij geen steun kregen. Loeff wilde de rivier op zeilen in de hoop dat de Engelsen hem daar niet zouden volgen of vinden. Trotz hield zijn vertrek echter tegen en op 3 maart verscheen een kleine Engelse vloot voor het fort. Na een kort overleg liet Trotz de vlag strijken. Op de Nederlandse schepen werd dit, volgens instructie, ook gedaan. Zonder overleg gaf Trotz de zeven Nederlandse schepen over aan de Engelsen. Wel was er nog even verwarring omdat de soldaten van het fort weigerden te dienen onder Engelse vlag en onder de uitroep vlag neer, dienst neer hun geweren wegwierpen. Zij wilden pas weer in dienst als de Nederlandse vlag gehesen werd, waarin Trotz toestemde, waarna opnieuw de Nederlandse vlag omhoog ging ofschoon de kolonie al door de Engelsen bezet was. De soldaten mochten daarna met militaire eer het fort verlaten.[10]

Literatuur

Noten

  1. Ruud Paesie, '"Ach kust dezelve nog eens van mij" Brieven aan vrienden en geliefden uit de kolonies Essequebo en Demerary', 53-54.
  2. Ruud Paesie, '"Ach kust dezelve nog eens van mij" Brieven aan vrienden en geliefden uit de kolonies Essequebo en Demerary', 46, 53-54. en Geneanet.org
  3. KNGGW site
  4. Nationaal Archief (NA), Den Haag, Familiearchief Van der Goes van Dirxland, toegang 3.20.17 en R.H.G. Sluijter, Repertorium van ambtsdragers en ambtenaren 1428-1861
  5. Genealogieonline.nl
  6. Genealogieonline.nl
  7. Zie ook: Encyclopedie van Zeeland
  8. 1 akker = 0,4 ha. Het gaat hier dus om een bezit van 919 hectare
  9. Werken KZGW; site KZGW; site Huygens ING/KNAW
  10. A. Wisse, 'De overgave van Demerary en Essequibo in 1781', in: Historia 8 (1942) 191-192.








Bij deze context horen de volgende brieven: