Wat zoek je in de Digitale Collectie Zeeland?

Inhoud brief

Augustinus Brun schrijft Raule dat hij sinds 12 oktober 1671 geen brieven meer heeft gekregen. Nu is er een binnengekomen met Jan Tinnegieter. Deze was geopend en niet bestemd voor hem. Hij heeft hem dichtgeplakt en retour gestuurd. Hij kent deze Tinnegieter niet en weet ook niet waar hij vandaan komt. Hierover lijkt hij te liegen want in Suriname verbleef op dat moment wel degelijk Jan Tinnegieter. Deze gaf eveneens met Cornelis Bastiaensen een brief mee aan zijn huisvrouw Maeijcken Abrahams, woonachtig nabij de Oosterse kerk in Vlissingen.
Zelf betuigt Bruns zijn onschuld en verzekert hij zijn opdrachtgeven van trouw aan hem.

Verder vermeldt hij dat secretaris Johan Bolle is overleden. Over hem schrijft hij dat hij een aantal functies verenigde, waardoor hij alles gedaan kreeg wat hij begeerde. Anderen werkte hij tegen en hij liet alles in zijn voordeel verlopen. Nu hij is overleden, hoopt Brun dat er weer veel kan gaan gebeuren. Hij wil een suikermolen bouwen.

Er moet maar niet weer een man als Bolle komen.  Als secretaris verdiende hij 7.000 gulden en daarvan kon een secretaris best leven, hij hoefde niet nog meer banen te hebben, aldus Bruns. Er zijn nog een paar mensen overleden waaronder de Vlissinger Alexander Artur, Joost Bonte uit Middelburg en Laurens Menis. Hijzelf is gezond.

Vervolgens somt hij op wat hij met verschillende schepen zal meesturen: Met Cornelis Bastiaensen  brandewijn en suiker in vaten gemerkt WB, dit staat ook op de geleidebrief die Cornelis Berghe meenam. Hij noemt nog meer kapiteins: Adriaen Claesen op het schip De Hoop van Rotterdam en Aert Jansen op het schip Cattrine en Jacob Soeteling.

Tenslotte informeert hij of de wisselbrief op Delft al betaald is.

Benjamin Raule
Brun Raule januari1672Aan Benjamin Raule, leverancier van slaven en gemachtigde van Augustinus Brun voor leverantie van goederen aan de soldaten volgens ordonnantie van 22 januari 1672, ZA, GIDS 102, Gids Staten van Zeeland en Suriname, 1667-1684, inv.nr. 981, C1380a, fol. 258v-259r.

Benjamin Raule (Vlissingen 1634 - Hamburg 1707) of Raulé - zijn familie was in de 16e eeuw naar Zeeland uitgeweken - was aanvankelijk een vooraanstaand Zeeuws koopman en reder. Zijn schepen voeren naar Hamburg, naar havens aan de Franse westkust, naar de westkust van Afrika en de Caribische Zee. Hij had belangen in de walvisvaart en aanverwante bedrijven, in de slavenhandel en de vaart op Indië. In Middelburg waar hij zich na zijn huwelijk vestigde, bekleedde hij meermalen belangrijke ambten. Zo trad hij op als thesaurier (1668) en als schepen (1669, 1670, 1674). De ambachtsheerlijkheid Ritthem en de korenmolen aldaar rekende hij tot zijn bezittingen, evenals het landgoed Rosenfelde tussen Middelburg en Vlissingen. In het Zeeuws Archief te Middelburg wordt een zestal journalen en groot-boeken over de jaren 1664-1673 bewaard die een goed inzicht geven in 's mans veelomvattende activiteiten. Daartoe behoorde ook de commissievaart. Gedurende de Tweede Engelse Oorlog fungeerde hij bij tenminste vier kaperschepen als boekhouder, terwijl tijdens de Derde Engelse Oorlog in ieder geval achttien schepen onder zijn leiding ter commissievaart voeren. Als gevolg van het uitbreken van de oorlog met Frankrijk (en Engeland) in 1672 leed Raule zware verliezen. Een mogelijkheid tot herstel van zijn financiële positie zag hij toen Zweden (bondgenoot van Frankrijk) Brandenburg (bondgenoot van de Republiek) binnenviel. Samen met anderen verhuurde hij in 1675 een tiental goed uitgeruste en welbemande fregatten aan de grote keurvorst Frederik Willem 1. Onder Brandenburgse vlag veroverden de schepen binnen vier weken 21 rijkgeladen Zweedse koopvaarders.
Omdat men in de Republiek in 1675 weinig waardering kon opbrengen voor de aard van zijn activiteiten en zijn schuldeisers dreigden hem gevangen te nemen, vestigde Raule zich toen in Brandenburg. Door de keurvorst werd hij benoemd tot `Schiffsdirektor' (1676), 'Oberdirektor in Seesachen' (1677) en uiteindelijk tot `Generaldirektor der Marine' (1681). Met recht kan Raule beschouwd worden als de grondlegger van de Brandenburgse marine. Na de dood van de grote keurvorst in 1688 waren binnen- en buitenlandse invloeden er de oorzaak van dat de vloot, zowel als de overzeese handel en vestigingen in verval kwamen en uiteindelijk verdwenen. Persoonlijke tegenstanders van Raule en de tegenstanders van de Brandenburgse marine spanden tegen hem samen. Hij werd ervan beschuldigd zichzelf te hebben verrijkt; een onderzoek naar zijn handelingen werd gelast en in 1697 werd hij in Spandau gevangen gezet en werden hem zijn goederen en bezittingen ontnomen. Het ingestelde onderzoek werd in 1702 afgesloten; de beschuldigingen bleken niet bewijsbaar. Raule was een gebroken man. Door koning Frederik I van Pruisen werd hem Havelherg in Brandenburg als woonplaats aangewezen; in 1705 werd hem toegestaan zich in Hamburg te vestigen.

Augustinus Bruns

250px Verwerijstraat 14950De Verwerijstraat in Middelburg omstreeks 1900, prentbriefkaart, ZB, Beeldbank Zeeland, recordnr. 14950Augustinus en Cornelia Bruns woonden in de Verwerijstraat in Middelburg.

De positie van Suriname aan de vooravond van de Derde Engelse Oorlog

De Derde Engelse Oorlog (1672-1674) eindigde met de Tweede Vrede van Westminster. Suriname was reeds in 1667 door Abraham Crijnssen veroverd op de Engelsen. Op hun beurt hadden de Engelsen Nieuw-Amsterdam in bezit genomen. In 1673 werd het weer op de Engelsen heroverd, maar in het vredesverdrag stond dat deze kolonie definitief aan de Engelsen werd overgedragen en de Nederlanders (Zeeuwen) behielden Suriname. De Engelsen hadden aan de monding van de Suriname-rivier het houten fort Willoughby gebouwd. Dit werd versterkt met kanonnen en bemand met soldaten. Thorarica was niet langer de hoofdstad, deze werd verplaatst naar de omgeving van het Fort Zeelandia en werd Nieuw Middelburg (later Paramaribo) genoemd. De stad was daardoor makkelijker te verdedigen en het had een gunstiger ligging voor de handel. Na 1667, het einde van de Tweede Engelse oorlog, moesten de Engelse bestuurders het land verlaten. Het land werd evenals de plantages geplunderd. Veel planters werden gedwongen om met hun slaven te vertrekken naar het nabij gelegen St. Kitts. Wie bleef diende een eed van onderwerping aan het Zeeuwse gezag af te leggen. Deed men dit, dan bleef men dezelfde rechten houden die er onder het Engelse bestuur golden. De meeste planters vertrokken en het was zodoende lastig om met een paar honderd mensen van Suriname een winstgevende kolonie te maken. Het resulteerde er in dat Zeeland Suriname in 1682 aan de WIC verkocht. De Nederlanders waren ten opzichte van Nieuw-Amsterdam meer gebrand op Suriname omdat men er voor het maken van maximale winst en een zo goed mogelijke handel meer mogelijkheden zag. In Suriname lagen grote plantages waar Nederlanders veel producten verbouwden. De kolonie Nieuw-Amsterdam was niet gericht op verbouw van producten, slechts op de handel. Men vond het in die tijd daarom gunstiger om Suriname in handen te hebben. Er werd daar ook bauxiet gevonden en van deze grondstof verwachtte men veel: men dacht een grondstof monopolie in handen te hebben. Dat bleek een misvatting: bauxiet bleek (voorlopig) nog niet goed bruikbaar en werd pas veel later een belangrijk exportproduct.

Bronnen

Literatuur

Sites

Noten

 

 

 

 

 

 

 

Bij deze context horen de volgende brieven van Augustinus Bruns: