Wat zoek je in de Digitale Collectie Zeeland?

Inhoud brief

St ChristoffelKaart van St. Christoffel (het huidige St. Kitts) uit 1729. De Zeeuwse nederzetting Caap Ster bevind zich in het uiterste noordwesten van het eiland, Basse Terre in het zuiden (boven de windroos), bron: Wikimedia CommonsBasse Terre, Sint Christoffel (St. Kitts) 7 december 1664.

Jasper Danckaerts, liefhebbende en zorgzame zoon, schrijft zijn moeder in Middelburg.
Hij heeft haar brief van de 4de september op de 2de jongstleden ontvangen, waaruit hij begrijpt dat het met haar gezondheid goed gaat; hij hoopt dat deze gezondheid blijvend is. Hem gaat het goddank goed. In Basse Terre heeft men gehoord van de ‘droevighe sieckte in Hollandt’ (de pest). In Basse Terre leven de mensen mee en vrezen tegelijkertijd dat ook bij hun dierbaren daar en wellicht bij henzelf deze ziekte zal uitbreken. Jasper stelt zijn moeder gerust, door haar te zeggen de moed niet te laten ‘sincken’ en de hoop te koesteren dat deze ramp de genade van God bewerkstelligt.
De schoenen van De Klerck zijn onlangs grotendeels verkocht, maar er is nog een hoeveelheid van te verkopen; dus zal het nog wel even duren, voor hij de niet verkochte schoenen retour stuurt.
Wat ‘De Pier’ betreft: die heeft hij geschreven en waarlijk! de mensen denken dat het er op St. Christoffel net zo aan toegaat als in Holland. Jasper weet wel beter: hij heeft heel wat anders te doen en meesters gaan voor.
Op het ogenblik heeft Jasper zijn hoop gevestigd op Jacob, zijn broer. Hij hoopt dat hij door toedoen van Jacob zelf, of van iemand anders, werk vindt in het vaderland. Hij zou graag thuiskomen en ‘… het reijsen en suckelen wel laten varen’. En, eenmaal thuis, kan hij een steun voor zijn moeder zijn.
Hij heeft net een brief van Jacob gekregen vanuit Amsterdam; Jacob verkeert in goede gezondheid en zegt een brief naar zijn moeder te hebben gestuurd die voor Jasper bestemd is.  Op deze brief wacht Jasper.
Ook heeft Jacob hem geschreven dat zijn moeder bij hem is geweest om te praten over een veilig onderkomen voor haar op haar oude dag, bij hem in Amsterdam. Dit voorstel juicht Jasper van harte toe, omdat Jacob daar prettig woont zijn moeder er verzekerd is van een onbekommerde oude dag, terwijl hij, Jasper, ‘de wanckelbare fortuin noch verwachten moet.’
Hij heeft het contract ontvangen en wacht het antwoord af van Van Rijkegem. Heeft hij van hem nog niets gehoord, dan zal hij verder werken voor zijn meester en naar huis komen. Mocht Jasper een betere betrekking geboden worden, dan valt er met hem verder te praten. Straks eerst maar eens naar huis. Van daaruit zal hij wel zien hoe het verder gaat met zijn toekomst. Hij neemt het zekere voor het onzekere, met name als dat een waarborg betekent voor zijn kinderen.
Intussen keurt Jasper het gedrag af van zijn broer Pieter. Deze heeft zichzelf in moeilijkheden gebracht tijdens zijn omgang met een vrouw. Volgens Jasper heeft Pieter daarvoor Gods straf nog niet gevoeld en hij bidt dan ook voor Pieter dat God hem genadig zal zijn en hij zich zal beteren. Met klem vraagt Jasper zijn moeder hém op tijd te waarschuwen, mocht hijzelf het slechte pad op gaan.
Jasper spreekt nogmaals de wens uit dat Jacob slaagt in zijn plan om hem voorgoed naar huis te krijgen. Via deze brief groet hij alle vrienden, zusters en broeders en niet in de laatste plaats zijn moeder, die hij beveelt in de bescherming van God. Tenslotte wenst hij haar een ‘salich Nieuwjaer.’
In een PS schrijft Jasper aan Jean dat hij de knoppen van Jan de Blieck heeft verkocht voor 124 pond suiker.

De Tweede Engelse Oorlog (1665-1667)
Strenge scheepvaartwetten van de Britten, die onder meer export van Britse goederen naar niet-Britse landen door buitenlanders verboden, lagen ten grondslag aan de oorlog tussen de Republiek en Groot-Brittannië. Ook constante conflicten in de koloniale gebieden vormden hiervoor de aanleiding. Zo veroverden de Britten in 1664 Curaçao en Nieuw-Amsterdam en werden door Robert Holmes Nederlandse forten op de Afrikaanse kust ingenomen. De Ruyter, die op strafexpeditie naar Afrika en West-Indië werd gestuurd, heroverde deze forten weer. Een door de Staten-Generaal in oorlog geïnitieerde actie die tegenwoordig nogal eens volstrekt buiten de context wordt uitgelegd als zou De Ruyter hiermee bewust de slavenhandel en slavernij in stand gehouden hebben.
De oorlog werd vooral ter zee uitgevochten. De Britten namen 522 Nederlandse koopvaardijschepen buit. Tijdens deze oorlog zat het de Britten niet mee. In 1665 brak de pest uit in Londen en op 12 september 1666 woedde een grote brand in de stad. De eerste zeeslag, die van 13 juni 1665 in de Slag bij Lowestoft werd nog gewonnen door de Britten, maar in de Vierdaagse Zeeslag (11-14 juni 1666) trokken de Nederlanders aan het kortste eind. De Tweedaagse Zeeslag (4 augustus 1666) was wederom een overwinning voor de Britten, waarna Terschelling in de as werd gelegd. Raadpensionaris Johan de Witt revancheerde zich met een plan om de thuisbasis van de Engelse vloot aan te vallen. Tussen 19 en 24 juni 1667 voer een vloot onder De Ruyter de Thames op en vernietigde bij Chatham drie kapitale en tien andere oorlogsschepen en nam het vlaggenschip HMS Royal Charles op sleeptouw als buit mee naar de Republiek. Op 31 juli 1667 werd de Vrede van Breda gesloten tussen beide mogendheden.

St. Christoffel
St. Christoffel heet tegenwoordig St. Kitts, ook bekend als Saint Christopher Island, gelegen in de Caribische Zee en behorend tot de Kleine Antillen. Blijkens onderzoek van Monique Klarenbeek naar onder meer 139 uit St. Christoffel afkomstige, gekaapte brieven bedreven Nederlanders daar handelsactiviteiten in de zeventiende eeuw.[1] De volgende citaten zijn afkomstig uit haar doctoraalscriptie uit 2006.
‘Phillippe de Longvilliers du Poincy, ridder in de Orde van Malta, sloot als gouverneur van St. Christoffel in 1640 een contract met kooplieden uit Middelburg voor de exclusieve handel op het eiland’ (...) ‘De handel op het eiland was grotendeels in handen van particuliere kooplieden uit de Republiek, net zoals overal in de Caraïbische wateren’. [2]
‘Het grootste deel van de Nederlanders op het eiland was mannelijk en slechts voor een korte periode op het eiland. Ze zijn onder te verdelen in twee groepen. Ten eerste waren er tenminste vijftien vermoedelijk jongere mannen die in opdracht van een koopman of handelshuis uit de Republiek voor enige tijd de zaken waarnamen op het eiland. Deze handelaren hoopten met enig kapitaal, ervaring en een zeker netwerk naar huis terug te keren’.
(…) ‘Ten tweede waren er de reizigers die hun eigen cargasoen begeleidden of die van familie of vrienden. Ze huurden een deel van het schip voor koopwaar die ze op het eiland wilden verkopen om na ontvangst van geld of retourgoederen weer naar de Republiek te vertrekken. Zij woonden niet op het eiland en bleven niet lang.[3]
‘Het waren vooral de Zeeuwen die actief waren in West-Indië, in de WIC, als kolonisten, in de kaapvaart en (…) als particuliere handelaren.’[4]
‘De door de Nederlanders gestimuleerde suikerteelt echter gaf de eilandeconomie pas echt een groeispurt.’[5]
‘Tabak, katoen en suiker waren met de verfstof indigo de exportproducten van het eiland.’[6]
‘Met hun wereldwijde handelsnetwerk en financiële steun droegen de kooplieden uit de Republiek in de eerste helft van de 17de eeuw in hoge mate bij aan de groei van de tabaks- en suikerteelt op het eiland. Door de lage vrachtkosten in de Republiek was het mogelijk verschillende soorten koopwaar tegen een redelijk prijs te leveren. De suiker en de tabak, waarmee de planters de koopwaar betaalden, zorgden voor een bloeiende tabaks- en suikerindustrie in de Republiek. Er bestond een intensieve handelsverbinding tussen de Republiek en het Frans-Engelse eiland, waarbij de schippers van de meer dan honderd Nederlandse schepen die het eiland jaarlijks aandeden, een belangrijke rol speelden. Zij behartigden de belangen van zowel de kooplieden in de Republiek als van de kooplieden op het eiland.
Vanaf 1664 veranderde de situatie, toen eerst Engeland en later Frankrijk met drastische protectionistische maartregelen kwamen om hun eigen handel te stimuleren ten koste van de Nederlandse kooplieden. Tegen de wil van de planters op het eiland werd de handel met de Nederlanders steeds meer aan banden gelegd.’[7]

Noten
[1] M. Klarenbeek ‘Grutters op de Antillen: Particuliere kooplieden uit de Republiek op het eiland Sint Christoffel in de zeventiende eeuw’, in: Tijdschrift voor Zeegeschiedenis 32/2 (2013) 20-37.
[2] M. Klarenbeek (a) ‘Grutters op de Antillen’ enz. p. 11.
[3] idem, 14.
[4] idem, 18.
[5] idem, 26.
[6] idem, 27.
[7] idem, 17, 45.


Bij deze context horen de volgende brieven: