Wat zoek je in de Digitale Collectie Zeeland?

Inhoud brieven Rachel en Matthijs van Eepen

Nieuwe Kaart van SurinameNieuwe kaart van Suriname door J. Ottens, eind 17de eeuwTwee brieven zijn onderweg van Paramaribo naar Veere. Deze dateren van 8 januari 1672 en zijn geschreven door R. Du Blessis; de ene is geadresseerd aan zijn vriendin Rachel van Eepen, de andere naar zijn vriend, de chirurg Matthijs van Eepen, die tevens de broer van Rachel is.

Inhoud brief aan Rachel van Eepen
De heer Du Blessis is nogal aangedaan na de laatste van vijf brieven die hij van Rachel, zijn vriendin, heeft ontvangen, respectievelijk van: 20 juli, 2 augustus, 15 augustus, 20 september en 28 oktober 1671. Hij heeft opgemaakt dat Rachel affectie voor hem voelt, maar hij vraag zich af waarom ze daar met geen woord over rept. Ook híj voelt genegenheid voor haar, maar hij vermoedt sterk dat hij haar affectie moet delen met de heer Thisso, de commandant die boven hem staat en is daarover verbolgen. Daardoor en vanwege haar klaarblijkelijk scherpe teksten is hij nu niet in staat haar een aardige brief te schrijven en moet ze het doen met deze ruwe. Hij belooft haar met het volgende schip een betere te schrijven. Du Blessis zegt het te spijten dat Rachel vergeefs een beroep heeft gedaan om hem bij het garnizoen in Aardenburg geplaatst te krijgen (waarschijnlijk om hem bij deze te laten solliciteren).
Komende zomer kan Rachel hem thuis nog verwachten, maar daarna is hij van plan nooit meer een voet in de Republiek te zetten. Du Blessis geeft haar de groeten door aan haar broer en familie en schrijft haar bovendien een sympathiek en lief afscheid, waaruit blijkt dat hij nog steeds van haar houdt. Naar de reden om niet meer in ’s lands dienst te willen treden is het gissen, maar gezien zijn vermoedelijke functie als soldaat is het zeer goed mogelijk dat du Blessis al maanden geen achterstallige gage heeft ontvangen en dit beu is.

Inhoud brief aan Matthijs van Eepen
Du Blessis voelt zich verplicht aan Matthijs; hij bedankt deze voor zijn moeite om hem te helpen bij sollicitaties. Deze hulp, waarschijnlijk door toedoen van Rachel, wijst hij echter resoluut van de hand. Hij zegt dat hij voornemens is naar de Republiek te komen, maar zal de landszaak nooit meer dienen; eerder het tegenovergestelde! Het is al de tweede keer dat hij bij de autoriteiten verlof heeft aangevraagd en hopelijk wordt hem dat deze keer niet geweigerd. Du Blessis zegt Matthijs’ brieven te hebben ontvangen en zal hem deze post een volgende keer beantwoorden.Hij vraagt de groeten over te brengen aan Matthijs’ neef en familie, waarbij hij ‘speciaelijk’ zijn groeten doet aan Matthijs’ zus Rachel. Verder ziet hij graag ‘met de naeste scheepen’ Matthijs’ antwoord tegemoet.

Familie Van Eepen en Du Blessis
Matthijs van Eepen werd op 1 juli 1659 benoemd als conciërge van het arsenaal te Veere, zijn voorganger, Jan Damman was overleden.[1] Over ziens zus Rachel is niets bekend.


De positie van Suriname aan de vooravond van de Derde Engelse Oorlog
Sluis Palmeniribo RP-T-1905-106 Sluis op de plantage Palmeniribo te Suriname, tekening Dirk Valkenburg, ca. 1708, collectie Rijksmuseum, Amsterdam, RP-T-1905-106De Derde Engelse Oorlog (1672-1674) eindigde met de Tweede Vrede van Westminster. Suriname was reeds in 1667 door Abraham Crijnssen veroverd op de Engelsen. Op hun beurt hadden de Engelsen Nieuw-Amsterdam in bezit genomen. In 1673 werd het weer op de Engelsen heroverd, maar in het vredesverdrag stond dat deze kolonie definitief aan de Engelsen werd overgedragen en de Nederlanders (Zeeuwen) behielden Suriname. De Engelsen hadden aan de monding van de Suriname-rivier het houten fort Willoughby gebouwd. Dit werd versterkt met kanonnen en bemand met soldaten. Thorarica was niet langer de hoofdstad, deze werd verplaatst naar de omgeving van het Fort Zeelandia en werd Nieuw Middelburg (later Paramaribo) genoemd. De stad was daardoor makkelijker te verdedigen en het had een gunstiger ligging voor de handel. Na 1667, het einde van de Tweede Engelse oorlog, moesten de Engelse bestuurders het land verlaten. Het land werd evenals de plantages geplunderd. Veel planters werden gedwongen om met hun slaven te vertrekken naar het nabijgelegen St. Kitts. Wie bleef diende een eed van onderwerping aan het Zeeuwse gezag af te leggen. Deed men dit, dan bleef men dezelfde rechten houden die er onder het Engelse bestuur golden. De meeste planters vertrokken en het was zodoende lastig om met een paar honderd mensen van Suriname een winstgevende kolonie te maken. Het resulteerde er in dat Zeeland Suriname in 1682 aan de WIC verkocht. De Nederlanders waren ten opzichte van Nieuw-Amsterdam meer gebrand op Suriname omdat men er voor het maken van maximale winst en een zo goed mogelijke handel meer mogelijkheden zag. In Suriname lagen grote plantages waar Nederlanders veel producten verbouwden. De kolonie Nieuw-Amsterdam was niet gericht op verbouw van producten, slechts op de handel. Men vond het in die tijd daarom gunstiger om Suriname in handen te hebben. Er werd daar ook bauxiet gevonden en van deze grondstof verwachtte men veel: men dacht een grondstof monopolie in handen te hebben. Dat bleek een misvatting: bauxiet bleek (voorlopig) nog niet goed bruikbaar en werd pas veel later een belangrijk exportproduct.

Literatuur
*G.W. van der Meiden, Betwist bestuur. De eerste bestuurlijke ruzies in Suriname, 1651-1753 (Amsterdam, 2008).
*John H. de Beye, Torarica, de oude hoofdstad van Suriname (Zutphen, 2017).
*F. Dikland, Zeeuwse archivalia uit Suriname en omliggende kwartieren 1667 – 1683 (2003).
*Nettie Schwartz, ‘Weggaan of blijven? Brieven uit Suriname van Zeeuwse landverhuizers in 1672’, in: Archief (2012) 93-150.
*F. Oudschans Dentz, 'De herkomst en betekenis van Surinaamse plantagenamen', in: De West-Indische Gids 26/nr. 1 (1944) 147-180.
*Jan Marinus Linde, Surinaamse suikerheren en hun kerk: plantagekolonie en handelskerk ten tijde van Johannes Basseliers, predikant en planter in Suriname, 1667-1689 (Wageningen, 1966) passim.

Noten
[1] ZA, toegang 2, Staten van Zeeland, inv.nr. 1670, fol. 124.


Bij deze context horen de volgende brieven: