Wat zoek je in de Digitale Collectie Zeeland?

Inhoud

Guadeloupe2Kaart van Guadeloupe, uitgegeven door Jacques N. Bellin (Parijs), kopergravure, ca. 1764Een onbekende man, vermoedelijk Bartel Janssen (zie volgende paragraaf), laat zijn vrouw Liesbeth Sijbrants weten dat het met hem en haar twee zonen, Tomas en Pieter, gelukkig goed gaat. Op 6 november, de maand voor déze brief, heeft hij haar brief ontvangen en heeft daaruit opgemaakt dat het haar ook goed gaat. Hij heeft haar lekkernijen, koek en amandelen, ontvangen en tevens de kant die ze hem en haar zonen had gestuurd.
Hij zou haar ook graag iets sturen, maar zegt dat hij haar liever verwacht op Guadeloupe. En mocht Liesbeth niet kunnen komen, of ze hem dat wil laten weten. Hij gaat met de fabricage van suiker aan de slag en zal eraan denken voor haar een deel te bewaren. Liesbeth hoeft zich geen zorgen te maken wat haar zonen en hem aangaat, de Duitsers mogen zich niet vestigen op Guadeloupe, dus voor Tomas en Pieter is het op het eiland rustig wonen. Met het schip van kapitein Lafasie heeft hij haar alle staatjes gezonden van de bestelde goederen. Die kan zij dan verifiëren en hem opsturen per volgende brief. Barwijck kan zij dan uitbetalen. Hij wenst haar in de bescherming van de ‘Alderhooghste.’

Guadeloupe1suikerriet velden op Guadeloupe, foto: wikimedia

Liesbeth Sijbrants en Bartel Janssen
Op 1 oktober 1658 deed ‘Lisebet Sijbrants’ belijdenis in de Nederdtuisch-gereformeerde kerk in Vlissingen. Ze was toen woonachtig in de Lange Zelke.[1] Of zij met Bartel Jansen zou trouwen is onzeker. Lijsebeth Sijbrants en Bartel Janssen gingen op 7 januari 1679 in ondertrouw; wel vijftien jaar na het schrijven van deze brief. Als beroep werd door de kerk bij Janssen toen opgegeven: ‘varende man.’ Hij was toen weduwe van Jannetje Jans.[2]

De Tweede Engelse Oorlog (1665-1667)
Strenge scheepvaartwetten van de Britten, die onder meer export van Britse goederen naar niet-Britse landen door buitenlanders verboden, lagen ten grondslag aan de oorlog tussen de Republiek en Groot-Brittannië. Ook constante conflicten in de koloniale gebieden vormden hiervoor de aanleiding. Zo veroverden de Britten in 1664 Curaçao en Nieuw-Amsterdam en werden door Robert Holmes Nederlandse forten op de Afrikaanse kust ingenomen. De Ruyter, die op strafexpeditie naar Afrika en West-Indië werd gestuurd, heroverde deze forten weer. Een door de Staten-Generaal in oorlog geïnitieerde actie die tegenwoordig nogal eens volstrekt buiten de context wordt uitgelegd als zou De Ruyter hiermee bewust de slavenhandel en slavernij in stand gehouden hebben.
De oorlog werd vooral ter zee uitgevochten. De Britten namen 522 Nederlandse koopvaardijschepen buit. Tijdens deze oorlog zat het de Britten niet mee. In 1665 brak de pest uit in Londen en op 12 september 1666 woedde een grote brand in de stad. De eerste zeeslag, die van 13 juni 1665 in de Slag bij Lowestoft werd nog gewonnen door de Britten, maar in de Vierdaagse Zeeslag (11-14 juni 1666) trokken de Nederlanders aan het kortste eind. De Tweedaagse Zeeslag (4 augustus 1666) was wederom een overwinning voor de Britten, waarna Terschelling in de as werd gelegd. Raadpensionaris Johan de Witt revancheerde zich met een plan om de thuisbasis van de Engelse vloot aan te vallen. Tussen 19 en 24 juni 1667 voer een vloot onder De Ruyter de Thames op en vernietigde bij Chatham drie kapitale en tien andere oorlogsschepen en nam het vlaggenschip HMS Royal Charles op sleeptouw als buit mee naar de Republiek. Op 31 juli 1667 werd de Vrede van Breda gesloten tussen beide mogendheden.

Literatuur
*J.R. Bruijn The Dutch Navy of the seventeenth- and eighteenth centuries (Columbia (South Carolina), 1993).
*A. Doedens, Liek Mulder Nederlands-Engelse oorlogen. Door een zee van bloed in de Gouden Eeuw, 1652-1674 (Zutphen, 2016).
*Gijs Rommelse, The Second Anglo-Dutch War (1665-1667). Raison d’état, mercantilism and maritime strife (Hilversum 2006).
*Piet van Sterkenburg, ‘”Onse negerssvolc soo kijven omdat negerijnen haer niet en wijlt laten fijke fijke.” Brief van Adriaen Adriaensen vanuit Geuadelupe, 5 december 1664’, in: Erik van der Doe, Perry Moree, Dirk J. Tang (red.), et al., De smeekbede van een oude slavin en andere reisverhalen uit de West. Sailing Letters Journaal II (Zutphen, 2009) 58-68.

Noten
[1] ZA, DTBL Vlissingen 23, inv.nr. K 483, folio 40.
[2] ZA, toegang 7357 Hervormde Gemeente Vlissingen, inv.nr. 538.

Bij deze context horen de volgende brieven: