Wat zoek je in de Digitale Collectie Zeeland?

Inhoud brieven van 2 december 1664 uit Guadeloupe en 12 januari 1672 uit Suriname

Guadeloupe2Kaart van Guadeloupe, uitgegeven door Jacques N. Bellin (Parijs), kopergravure, ca. 1764Op 2 december 1664 laat Jan Jacobsen Tinnegieter, per brief vanuit Guadeloupe zijn geliefde Maeijken Abrahams in Vlissingen weten dat het goed met hem gaat en hij hoopt dat het met de gezondheid van Maeijken en haar zuster Lijsabet ook goed gaat. Waarschijnlijk woont ze nog bij haar ouders in en gaat hij ervan uit dat de brief meegelezen wordt, want hij schrijft haar aan als ‘oorbare jonge dochter’ en noemt haar in de brief ‘vriendinne.’
Hij zal zijn best voor hen doen vanwege hetgeen voorgevallen is op Antigua (‘Antigo’). De zaken op Guadeloupe lopen minder goed dan gedacht, maar Jan heeft goede hoop dat het, met behulp van God, hiermee beter zal gaan. Om de transacties wat soepeler te laten verlopen heeft Jan een half oxhoofd (ca. 105 liter) wijn gestuurd naar mijnheer Bijeren. Hij hoopt op die manier de betaling van zijn schulden nog wat langer te kunnen uitstellen. Hij beseft wel dat hij daardoor bij meer mensen in het krijt komt te staan, maar tegelijk denkt hij daar op de lange termijn voordeel mee te kunnen doen, want hij hoopt door een kleine vis uit te zetten er een veel grotere voor terug te vangen: ‘…ick smijte een spierinck wijt om een cappelaeu [kabeljauw] te vangen.’ Hij besluit zijn brief door zijn vriendin en haar zus in de handen van God aan te bevelen en met ‘duijsent goedenacht.’

In een tijdsbestek van ongeveer zeven jaar lijkt Jan Jacobsen Tinnegieter niet veel vooruitgang te hebben geboekt; in beide brieven klinkt de roep om meer financiële middelen. Het ontbreekt hem niet aan ijver en plichtsgevoel om zijn gezin en schoonzuster Lijsabet Abrahams te onderhouden. 

Nieuwe Kaart van SurinameNieuwe kaart van Suriname door J. Ottens, eind 17de eeuwDe reis naar Suriname in 1672 was zwaar: rond elf weken op zee met weinig tot geen drinkwater terwijl hij Suriname bereikte. Eerst was er nog een kan water per dag, later een pint en bij aankomst helemaal geen zoet water meer. Hij zou vanuit Suriname verder varen, maar vanwege het slechte weer onderweg konden zelfs de marszeilen niet eens gehesen worden. Het lijkt erop dat hij opnieuw naar Guadeloupe zou vertrekken, maar hij blijft omwille van de staat van het land vooralsnog in Suriname.
Jan heeft weinig op zijn rekening staan in 1672, maar hoopt dat hij snel een deel van zijn tegoed zal ontvangen met Gods hulp, om zo de balans van zijn debet- en creditrekening op peil te krijgen, en wat de zaak betreft tussen hem en de heer Benjamin R[.]awelde, die ligt in handen van de gouverneur en de secretaris, van welke hij zeker is hulp te krijgen.
Van eten en drinken is hij verzekerd bij Jan Andriesen. Vanwege ‘de staet van het lant’ is Jan beter op zijn plaats in Suriname, al moet hij eerst eens acclimatiseren in Suriname. Bovendien wil hij zijn kerkelijke plichten vervullen en zijn schuldenaars bezoeken. Op hen hoopt hij binnenkort nog ‘een fraeij stuijver’ te winnen. In de vorm van suijcker of letterhout zal hij deze winst met het eerste schip naar Maeijken sturen. Voor beplanting is daar ter plekke veel arbeidskracht nodig, maar veel mensen zijn in korte tijd overleden.
Jan hoopt dat het met zijn duiven thuis goed gaat en vraagt Maeijken om hem hemden en twee paar grijs-leren schoenen te sturen. Hij zal een volgend keer meer schrijven, de tijd is nu te kort. Jan hoopt dat het Maeijken en haar zuster goed gaat en wil Maeijken hun zoontje Jakobus namens hem een lieve kus geven?

Uit de adresgegevens van de brief geschreven op 2 december 1664 kan worden opgemaakt dat Jan Jacobsen Tinnegieter en Maeijken Abrahams nog niet gehuwd waren: hij spreekt daarin van ‘… oorbare jonge dochter Maeijken Abrahams wonende bij de Niewe kerck in het huis van Janis Hussel tot Vlissingen.’ In de adresgegevens van de brief geschreven op 12 januari 1672,  noemt hij haar ‘… huijsvrou van Jan Tinnegieter …’, hebben Jan en Maeijken een zoontje en woont zij bij de Oosterse kerck te Vlissingen. Inmiddels lijken zij dus gehuwd te zijn. Tinnegieter zal in die tijd eerst als planter in Guadeloupe hebben gewerkt, naar Vlissingen zijn teruggekeerd en getrouwd, om vervolgens weer naar West-Indië te vertrekken met een schip dat Suriname als bestemming had. Onduidelijk is of dat in 1672 ook de eindbestemming van Tinnegieter was.

De Tweede Engelse Oorlog (1665-1667)
Strenge scheepvaartwetten van de Britten, die onder meer export van Britse goederen naar niet-Britse landen door buitenlanders verboden, lagen ten grondslag aan de oorlog tussen de Republiek en Groot-Brittannië. Ook constante conflicten in de koloniale gebieden vormden hiervoor de aanleiding. Zo veroverden de Britten in 1664 Curaçao en Nieuw-Amsterdam en werden door Robert Holmes Nederlandse forten op de Afrikaanse kust ingenomen. De Ruyter, die op strafexpeditie naar Afrika en West-Indië werd gestuurd, heroverde deze forten weer. Een door de Staten-Generaal in oorlog geïnitieerde actie die tegenwoordig nogal eens volstrekt buiten de context wordt uitgelegd als zou De Ruyter hiermee bewust de slavenhandel en slavernij in stand gehouden hebben.
De oorlog werd vooral ter zee uitgevochten. De Britten namen 522 Nederlandse koopvaardijschepen buit. Tijdens deze oorlog zat het de Britten niet mee. In 1665 brak de pest uit in Londen en op 12 september 1666 woedde een grote brand in de stad. De eerste zeeslag, die van 13 juni 1665 in de Slag bij Lowestoft werd nog gewonnen door de Britten, maar in de Vierdaagse Zeeslag (11-14 juni 1666) trokken de Nederlanders aan het kortste eind. De Tweedaagse Zeeslag (4 augustus 1666) was wederom een overwinning voor de Britten, waarna Terschelling in de as werd gelegd. Raadpensionaris Johan de Witt revancheerde zich met een plan om de thuisbasis van de Engelse vloot aan te vallen. Tussen 19 en 24 juni 1667 voer een vloot onder De Ruyter de Thames op en vernietigde bij Chatham drie kapitale en tien andere oorlogsschepen en nam het vlaggenschip HMS Royal Charles op sleeptouw als buit mee naar de Republiek. Op 31 juli 1667 werd de Vrede van Breda gesloten tussen beide mogendheden.

De positie van Suriname aan de vooravond van de Derde Engelse Oorlog
De Derde Engelse Oorlog (1672-1674) eindigde met de Tweede Vrede van Westminster. Suriname was reeds in 1667 door Abraham Crijnssen veroverd op de Engelsen. Op hun beurt hadden de Engelsen Nieuw-Amsterdam in bezit genomen. In 1673 werd het weer op de Engelsen heroverd, maar in het vredesverdrag stond dat deze kolonie definitief aan de Engelsen werd overgedragen en de Nederlanders (Zeeuwen) behielden Suriname. De Engelsen hadden aan de monding van de Suriname-rivier het houten fort Willoughby gebouwd. Dit werd versterkt met kanonnen en bemand met soldaten. Thorarica was niet langer de hoofdstad, deze werd verplaatst naar de omgeving van het Fort Zeelandia en werd Nieuw Middelburg (later Paramaribo) genoemd. De stad was daardoor makkelijker te verdedigen en het had een gunstiger ligging voor de handel. Na 1667, het einde van de Tweede Engelse oorlog, moesten de Engelse bestuurders het land verlaten. Het land werd evenals de plantages geplunderd. Veel planters werden gedwongen om met hun slaven te vertrekken naar het nabijgelegen St. Kitts. Wie bleef diende een eed van onderwerping aan het Zeeuwse gezag af te leggen. Deed men dit, dan bleef men dezelfde rechten houden die er onder het Engelse bestuur golden. De meeste planters vertrokken en het was zodoende lastig om met een paar honderd mensen van Suriname een winstgevende kolonie te maken. Het resulteerde er in dat Zeeland Suriname in 1682 aan de WIC verkocht. De Nederlanders waren ten opzichte van Nieuw-Amsterdam meer gebrand op Suriname omdat men er voor het maken van maximale winst en een zo goed mogelijke handel meer mogelijkheden zag. In Suriname lagen grote plantages waar Nederlanders veel producten verbouwden. De kolonie Nieuw-Amsterdam was niet gericht op verbouw van producten, slechts op de handel. Men vond het in die tijd daarom gunstiger om Suriname in handen te hebben. Er werd daar ook bauxiet gevonden en van deze grondstof verwachtte men veel: men dacht een grondstof monopolie in handen te hebben. Dat bleek een misvatting: bauxiet bleek (voorlopig) nog niet goed bruikbaar en werd pas veel later een belangrijk exportproduct.

Literatuur
*J.R. Bruijn, The Dutch Navy of the seventeenth- and eighteenth centuries (Columbia (South Carolina), 1993).
*Gijs Rommelse, The Second Anglo-Dutch War (1665-1667). Raison d’état, mercantilism and maritime strife (Hilversum, 2006).
*A. Doedens, Liek Mulder, Nederlands-Engelse oorlogen. Door een zee van bloed in de Gouden Eeuw, 1652-1674 (Zutphen, 2016).
*G.W. van der Meiden, Betwist bestuur. De eerste bestuurlijke ruzies in Suriname, 1651-1753 (Amsterdam, 2008).
*John H. de Beye, Torarica, de oude hoofdstad van Suriname (Zutphen, 2017).
*F. Dikland, Zeeuwse archivalia uit Suriname en omliggende kwartieren 1667 – 1683 (2003).
*Nettie Schwartz, ‘Weggaan of blijven? Brieven uit Suriname van Zeeuwse landverhuizers in 1672’, in: Archief (2012) 93-150.
*H. den Heijer, ‘Over warme en koude landen. Mislukte Nederlandse volksplantingen op de Wilde Kust in de zeventiende eeuw‘, in: De Zeventiende Eeuw 21 (2005) 79-90.
*M. van Groesen, ‘Barent Jansz. en de familie De Bry. Twee visies op de eerste Hollandse expeditie ‘om de West’ rond 1600’, in: De Zeventiende Eeuw 21 (2005) 29-48.

Noten



Bij deze context horen de volgende brieven: