Wat zoek je in de Digitale Collectie Zeeland?

Samenvatting inhoud brief

Nieuwe Kaart van SurinameNieuwe kaart van Suriname door J. Ottens, eind 17de eeuwJohannes d’Olijslager schrijft op 9 januari 1672 uit Torarica in Suriname aan ds. Johannes de Mey in Middelburg en verontschuldigt zich dat hij niet persoonlijk afscheid heeft kunnen nemen, doordat hij vaak buiten Middelburg was voor bezoeken aan pottenbakkers.
Hij en zijn gezin zijn 5 september (1671) na een lange reis van vijftien weken gezond en wel in Suriname aangekomen.
Langs de rivier liggen vruchtbare akkers met suikerriet. Hij ziet perspectief voor een winstgevende exploitatie (‘schoone negotie’) voor Zeeland, zij het dat Suriname nu nog te weinig inwoners en slaven heeft. d’Olijslager maakt hier, net als in eerdere brieven een duidelijk eigen onderscheid in de bevolking tussen de kolonisten en de slaven: ‘Het mankeert hier al aen inwoonders ende ook noch aen neegros.
Op 23 december 1671 arriveerde kapitein Jacob Soetelinck uit Vlissingen, die enkele passagiers meebracht. Hij meldt dat de secretaris van de kolonie Johan Bolle is overleden en dat hij die functie graag zou willen bekleden; hij heeft daarvoor gesolliciteerd bij de Staten van Zeeland en heeft in brieven aan pensionaris Pieter de Huybert, pensionaris van Zeeland en Justus de Huybert, secretaris van de Staten van Zeeland, steun gevraagd. Hij vraagt ds. De Mey hem bij deze heren aan te bevelen.
Enkele andere zaken die opvallen aan deze brief zijn dat d’Olijslager hier duidelijk maakt hoe dunbevolkt de kolonie anno 1672 nog was, zowel wat de hoeveelheid kolonisten als aanwezige slaven op de plantages betreft. Alles moest nog worden opgebouwd, maar de nieuwelingen zien een land met grote mogelijkheden. Tevens blijkt uit een en dezelfde brief dat een Atlantische oversteek van veel factoren af hing en helemaal niet zo lang hoefde te duren als wel eens wordt verondersteld. Kapitein Soetelinck maakte de reis in acht weken tijd, minder dan twee maanden dus, terwijil d’Olijslagers reis niet minder dan vijftien weken, ofwel bijna drieënhalve maand duurde.

Johannes de Mey

TE001529De Oostkerk in Middelburg werd in 1667 gebruik genomen voor de gereformeerde eredienst, prent van Alphons Dillens, ca. 1874, ZB, Beeldbank Zeeland, recordnr. TE001529Johannes de Mey (Middelburg 25 september 1617 – Middelburg 8 april 1678) was de zoon van François de Mey, koopman in granen, en Peronne de Cherf; op 7 oktober 1648 te Middelburg getrouwd met Wilhelmina van Dryen, dochter van de equipagemeester van de VOC Kamer Zeeland.[1]
De Mey was een theoloog die stamde uit een Vlaamse familie, die uit Belle afkomstig was. Na studie in Leiden werd hij beroepen als predikant te Ovezande-Driewegen (1640). Hij verwisselde deze gemeente een jaar later voor Baarland. Blijkbaar heeft De Mey zich in de Zuid-Bevelandse pastorieën niet erg thuis gevoeld. Hij durfde eigen wegen te gaan en verbond zich in 1642 voor vijf jaar aan Oost-Indië. Op weg daarheen hoorde hij in Plymouth dat er na zijn vertrek een aanklacht wegens onrechtzinnigheid tegen hem was in gediend en dat was in die dagen, na de Synode van Dordrecht 1618/'19, een hoogst ernstige zaak. Hij keerde dan ook direct terug om zich, met succes, te verdedigen. In maart 1643 vertrok De Mey naar Sint Eustatius, waar hij preekte in het Nederlands, Frans en Duits. In 1645 gerepatrieerd, werd hij predikant te Zoutelande, nadat hij zich voor de classis Walcheren nog eens van alle verdenking van onrechtzinnigheid had moeten zuiveren. In 1649 verhuisde hij naar Sint Laurens, vanwaar Middelburg hem in 1649 beriep. Vanwege zijn talenkennis werden De Mey door Middelburg en de Staten van Zeeland belangrijke commissies en zendingen toevertrouwd. In 1670 werd hij scholarch of overdeken van het schoolmeestersgilde. Ook in de prediking ging De Mey een eigen weg. Hij hield zich aan de letterlijke tekst van de Schrift en was wars van allegorie, tegen de mode van die dagen in. Hoewel de classis het beroep van predikant Wilhelmus Momma (1642-1677) naar Middelburg niet wilde goedkeuren, heeft De Mey hem toch bevestigd, wat hem weer allerlei moeilijkheden opleverde (en voedingsbodem was voor de strijd tussen de coccejanen en de voetianen -tot wie De Mey behoorde) en de beschuldiging dat hij een weerhaan was. Bij een deel van de gemeente bleef De Mey in hoog aanzien. Tegelijk met Momma werd De Mey benoemd tot hoogleraar aan de Illustre School, omdat de magistraat hoopte met de ze twee heren de school tot nieuw leven te kunnen brengen. Behalve in de theologie was De Mey ook kundig in geneeskunde en natuurwetenschappen. In Frankrijk had hij de titel van doctor medicinae verworven. Hij voltooide onder meer het insektenboek van Johannes Goedaert.[2] Na zijn dood verschenen zijn verzamelde werken.[3]

Opmerkelijk was het standpunt van De Mey over de slavenhandel. ‘Voor de West-Indische Compagnie, maar op kosten van de Vlissingse patroons Van Pere en Van Rhee diende De Mey de kerk op Sint Eustatius. Naderhand bleef hij jarenlang met deze patroons in contact staan, evenals met de gebroeders Lampsins. Waarschijnlijk had hij ook zelf land gekocht op dit eiland, waar hij behalve de Nederlanders de Fransen en Engelsen verzorgde. Daar werd hij met slavernij en de opkomende slavenhandel geconfronteerd. Hij beschouwde beide als een "grouwelijcke zonde", getuige zijn tractaat dat hij na terugkeer schreef: Korte bedenkingen over het koopen en verkoopen der menschen. Daarin sloot hij zich bij de uitleg van de Leidse hoogleraar A. Rivet aan inzake Exodus 21:4-6.’[4]

Johannes d’Olijslager

Rede ParamariboDe rede van Paramaribo in het laatste kwart van de zeventiende eeuwEen Johannes Dolijslager wordt vermeld in een weesakte van 4 mei 1639 van de weeskamer te Middelburg.[5] Johannes d’Olijslager, naar eigen zeggen afkomstig uit Middelburg, vertrok in 1671 met zijn gezin naar Suriname,[6], waar hij blijkens bovenstaande brief aankwam op 5 september 1671.
Hij wilde daar een pottenbakkerij oprichten, waarvoor hij een vergunning had van de Staten van Zeeland, gedateerd 14 mei 1671, waarin zijn naam als Johannes Olislaeger wordt gespeld.[7] In december 1671 solliciteerde hij met brieven aan het provinciebestuur van Zeeland, pensionaris Pieter de Huybert en alle mogelijke andere bekenden naar de functie van secretaris van de kolonie Suriname, vacant geworden door de dood van Johan Bolle in november 1671; in die sollicitatie beriep hij zich op zijn kennis van Engels en Frans.[8]
'For people with an official function, such as the administrator but also the secretary of the colony, it was an advantage to be multilingual. People in Suriname were aware of the importance of these language skills. When Suriname's secretary Johan Bolle died in 1671, various people were eager to follow in his footsteps and claim this lucrative post. The recent arrival Johan d’Olijslager wrote to all the contacts he could think of in Zeeland to emphasize his desire to become secretary and explain why he was the best man for the job. One of the things he mentioned in several letters was his ability to speak both English and French, a testimony to the importance of both.’[9]

Jacob Soetelinck
Blijkens de brief is hij scheepskapitein. Een Jacob Soetelinck wordt genoemd als lidmaat van de Nederduitsch gereformeerde kerk te Vlissingen in januari 1665 met het adres Vlamingstraat.[10]

Johan Bolle
Op 21 mei 1665 bekrachtigden de Staten-Generaal zijn benoeming als commandeur op het eiland Tobago.[11] Het bewijs ontbreekt dat hij de functie daadwerkelijk heeft kunnen uitoefenen.
De Staten van Zeeland benoemden in 1670 Johan Bolle, koopman te Vlissingen, tot secretaris van de geheele capitania van Suriname.[12]
De Staten verstrekten hem een uitrustingstoelage. ‘Aen Jan Bolle gaende voor secretaris naer de provintie van Suriname, de somme van sesentsestich ponden derthien schellingen vier grooten Vlaems, eens, voor een toelegh tot uijtrustingh van sijn persoone volgens resolutie van de heeren van den Rade date deser, bij ordonnantie van den XXVen martii 1670 met bekentenisse hier overgedient, dus LXVI £ XIII s. IIII d. Vlaems’ (£ Vls. 66:13:4, ofwel 400 gulden).[13]
De Staten betaalden ook zijn verhuizing. ‘Aen Gerbrant Metman, doende de affaires van den secretaris Jan Bolle in Zername, de somme van derthien ponden thien schellingen Vlaems over het transporteren van eenige van desselfs goederen naer Sername bij attestatie ordonnantie van den 19 augustij 1671 met bekentenisse hier overgedient, dus XIII £ X schellingen Vlaems’ (81 gulden).[14] De Staten van Zeeland kregen klachten over zijn functioneren. Nicolas Combe stelde dat die kritiek onterecht was en dat Bolle een eerlijk man was. [15] Bolle overleed op 21 november 1671.[16]

De positie van Suriname aan de vooravond van de Derde Engelse Oorlog
De Derde Engelse Oorlog (1672-1674) eindigde met de Tweede Vrede van Westminster. Suriname was reeds in 1667 door Abraham Crijnssen veroverd op de Engelsen. Op hun beurt hadden de Engelsen Nieuw-Amsterdam in bezit genomen. In 1673 werd het weer op de Engelsen heroverd, maar in het vredesverdrag stond dat deze kolonie definitief aan de Engelsen werd overgedragen en de Nederlanders (Zeeuwen) behielden Suriname. De Engelsen hadden aan de monding van de Suriname-rivier het houten fort Willoughby gebouwd. Dit werd versterkt met kanonnen en bemand met soldaten. Torarica was niet langer de hoofdstad, deze werd verplaatst naar de omgeving van het Fort Zeelandia en werd Nieuw Middelburg (later Paramaribo) genoemd. De stad was daardoor makkelijker te verdedigen en het had een gunstiger ligging voor de handel. Na 1667, het einde van de Tweede Engelse oorlog, moesten de Engelse bestuurders het land verlaten. Het land werd evenals de plantages geplunderd. Veel planters werden gedwongen om met hun slaven te vertrekken naar het nabij gelegen St. Kitts. Wie bleef diende een eed van onderwerping aan het Zeeuwse gezag af te leggen. Deed men dit, dan bleef men dezelfde rechten houden die er onder het Engelse bestuur golden. De meeste planters vertrokken en het was zodoende lastig om met een paar honderd mensen van Suriname een winstgevende kolonie te maken. Het resulteerde er in dat Zeeland Suriname in 1682 aan de WIC verkocht. De Nederlanders waren ten opzichte van Nieuw-Amsterdam meer gebrand op Suriname omdat men er voor het maken van maximale winst en een zo goed mogelijke handel meer mogelijkheden zag. In Suriname lagen grote plantages waar Nederlanders veel producten verbouwden. De kolonie Nieuw-Amsterdam was niet gericht op verbouw van producten, slechts op de handel. Men vond het in die tijd daarom gunstiger om Suriname in handen te hebben. Er werd daar ook bauxiet gevonden en van deze grondstof verwachtte men veel: men dacht een grondstof monopolie in handen te hebben. Dat bleek een misvatting: bauxiet bleek (voorlopig) nog niet goed bruikbaar en werd pas veel later een belangrijk exportproduct.

Literatuur
*G.W. van der Meiden, Betwist bestuur. De eerste bestuurlijke ruzies in Suriname, 1651-1753 (Amsterdam, 2008).
*John H. de Beye, Torarica, de oude hoofdstad van Suriname (Zutphen, 2017).
*F. Dikland, Zeeuwse archivalia uit Suriname en omliggende kwartieren 1667 – 1683 (2003).
*F. Oudschans Dentz, 'De herkomst en betekenis van Surinaamse plantagenamen', in: De West-Indische Gids 26/nr. 1 (1944) 147-180.
*F. Oudschans Dentz, 'De oorsprong van de naam Combé', in: De West-Indische Gids 31/1 (1949) 28–34.
*Tobias van Gent, et al., Zeeuwse zeehelden. Uit de zestiende en zeventiende eeuw (Vlissingen, 2012).
*Suze Zijlstra, ‘Corresponderen om te overleven. Het economische belang van persoonlijke brieven uit zeventiende-eeuws Suriname’, in: Tijdschrift voor Zeegeschiedenis 31/I (2012) 27-41.

Noten
[1] A.J. van der Aa Biopgraphisch woordenboek der Nederlanden deel 12-2, 764.
[2] Johannes Goedaert Metamorphosis naturalis, ofte historische beschryvinghe van den oirspronck, aerd, eygenschappen ende vreemde veranderinghen der wormen, rupsen, maeden, vliegen, witjens, byen, motten en dierghelijcke dierkens meer niet uyt eenighe boecken, maer alleenelijck door eygen ervarentheydt uytgevonden, beschreven, ende na de konst afgeteyckent door Johannem Goedaert (ca. 1660-1669).
[3] Encyclopedie van Zeeland – lemma Johannes Goedaert.
[4] L.J. Joosse Biografisch Lexicon voor de geschiedenis van het Nederlands Protestantisme deel 5 366-8 en L.J. Joosse Geloof in de Nieuwe Wereld: ontmoetingen met Afrikanen en Indianen (1600-1700) ([S.l.], 2008) passim.
[5] ZA, toegang 10, Rechterlijke, Weeskamer en Notariële Archieven Zeeuwse Eilanden (RAZE), 1456-1811 (1852) inv. nr 115a Weesakten Middelburg 1633-1639.
[6] TNA, HCA 30 inv. nr. 1059 I Justus de Huijbert secretaris Staten van Zeeland Abdij Middelburg 9 januari 1672.
[7] ZA, toegang 2, Staten van Zeeland en Gecommitteerde Raden, (1574) 1578-1795 (1799) inv. nr. 1677, fol. 68v. Register van octrooien Staten van Zeeland deel II (1650-1715).
[8] TNA, HCA 30 inv. nr. 1059 I Pieter de Huijbert pensionaris Staten van Zeeland Abdij Middelburg 14 december 1671.
[9] L.H. Roper (red.), The Torrid Zone: Caribbean Colonization and Cultural Interaction in the Long Seventeenth Century (Columbia (SC), 2018).
[10] ZA, DTBL Vlissingen 23 (NG Lidmatenregister 1654-1672) K 483 f. 86.
[11] Nationaal Archief, OWIC 42 p. 129; Albert Helman Waar is Vrijdag gebleven? Drie studies over een klein eiland (Zutphen, 1983) 30; Cornelis Ch. Goslinga The Dutch in the Caribbean and on the Wild Coast 1580-1680 (Assen, 1971).
[12] J.A. Schiltkamp De geschiedenis van het notariaat in het octrooigebied van de West-Indische Compagnie: voor Suriname en de Nederlandse Antillen tot het jaar 1964 (1964) 107.
[13] ZA, GIDS102 Gids Staten van Zeeland en Suriname, 1667-1684 (1692) inv. nr. 773 Aan Jan Bolle, van Vlissingen, secretaris, een toelage volgens resolutie van de heren van de Rade volgens ordonnantie van maart 1670 f. 221v.
[14] ZA, GIDS102 Gids Staten van Zeeland en Suriname, 1667-1684 (1692) inv. nr. 909 Aan Gerbrant Metman, koopman te Vlissingen, gemachtigde van Jan Bolle, voor het transporteren van bagage en huisraad f. 241r.
[15] S. Zijlstra Anglo-Dutch Suriname: Ethnic interaction and colonial transition in the Carribbean, 1651-1682 (Amsterdam, 2015) 27.
[16] TNA HCA 30 1059 I Pieter de Huijbert pensionaris Staten van Zeeland Abdij Middelburg 14 december 1671.

Bij deze context horen de volgende brieven: