Wat zoek je in de Digitale Collectie Zeeland?

Netscher Demerary Berbice1De koloniën Demerary en Berbice, kaart door P.M. Netscher, 1887

Samenvatting inhoud brief
Daniël de Wolf schrijft op 18 januari 1781 een brief vanuit Demerary aan zijn moeder. Deze is wel geadresseerd aan zijn vader, maar die is blijkens de inhoud van de brief al overleden. Hoewel Daniël weet dat zijn moeder inmiddels in Vlissingen woont adresseert hij de brief nog wel naar het oude adres aan de Slepersingel in Middelburg. Deze lag in het westen van de stad bij de Lange Viele Poort, waar de huidige Zandstraat nog op uitkomt. Daniël is blij dat zijn moeder een nieuw adres heeft en opnieuw getrouwd is. Kennelijk heeft Daniël ofwel een brief van een bekende ontvangen of dit gehoord van een andere varensgezel die later is afgereisd, want hij was wel verrast door het trouwen van zijn moeder, ook al had ze daar zelf op gezinspeeld.  
Uit de brief valt op te maken dat Daniël de Wolf weliswaar kan lezen en schrijven, maar weinig scholing heeft genoten en een (Zeeuws) fonetisch schrift hanteert, waarbij telkens bij het woorden zoals ‘als’ en ‘anders’ de a door een h wordt vervangen.
De Wolf verwacht dat hij zo spoedig mogelijk rond mei 1781 terug zal zijn in Middelburg, maar dat zal door de oorlog en gevangenneming waarschijnlijk veel later zijn geworden. Op het moment van schrijven gaat hij ervan uit dat het makkelijk zal zijn een schip terug naar Vlissingen of Middelburg te vinden. Hij geeft hier op bloemrijke wijze aan dat hij beter kan werken om te leven dan andersom, want al vaart hij nog twintig jaar, hij zal waarschijnlijk hetzelfde blijven verdienen. De Wolf vertelt wel te weten hoe het geld in de wereld rolt en wordt verdeeld: ‘De houren gander tog me heen da[a]rvan.’ Hij zegt echter ervoor op te passen zelf gezond te blijven als God dat wil en groet zijn moeder met honderdduizend zegeningen.

De Sociëteit ter Navigatie op Essequebo en annexe Rivieren (SNER) en de handel op Essequebo

Netscher - Essequebo1Essequebo, kaart van P.M. Netscher, 1887 Alleen ingezetenen van Zeeland hadden op basis van de overdracht uit 1670 het recht op Essequebo en Demerary te handelen. Willem V blokkeerde dat besluit met een uitspraak die vanaf 1 januari 1771 inging. Wel had Zeeland het recht eerst 16 schepen uit te reden en schepen moesten ook vanuit Zeeland uitvaren en er hun retourlading lossen. Dat reglement werd echter nog dusdanig aangepast dat ook vanuit andere kamers schepen uitgereed konden worden.
Hierop staken de Middelburgse kooplieden de koppen bij elkaar om een eigen compagnie te beginnen. 185 kooplieden tekenden in voor een bedrag van 320.000 gulden en daarnaast deden ook de participanten Johan Adriaan van de Perre de Nieuwerve (vertegenwoordiger van de Eerste Edele, voor 15.000 gulden), de MCC en de lijnbanen Fortuyn en Swarte Kabel en de stadsregering (voor 24.000 gulden). De directie van de Sociëteit ter Navigatie op Essequebo en annexe Rivieren werd door vijf man geleid. De directeuren genoten een vergoeding en een percentage van het uitgekeerde dividend. Cornelis van den Helm Boddaert werd president. Vergaderingen werden in het huis van de aangestelde boekhouder gehouden. Een andere participant was Daniël Radermacher. Voor maart 1771 moest de helft van het inlegkapitaal aanwezig zijn en dat lukte. De doelstelling van de sociëteit was om schepen naar Essequebo te equiperen, daarmee was de SNER een rederij die uitsluitend goederen vervoerde. In de eerste twee jaar werden meteen zes schepen aangekocht: de ''Phoenix, Planterslust, Vreede, Eensgezindheid, Middelburgs Hoop''  en ''Westhove''. Het fregat ''Essquebo Societeit'' stond op stapel en liep nog in 1772 van stapel van de Middelburgse scheepshelling. De schepen werden bij de Middelburgse Assurantie Compagnie verzekerd, maar de vervoerde goederen werden wel bij Amsterdamse en Rotterdamse verzekeraars ondergebracht. In 1778 was de premie voor een reis nog 3%. Bedrijven die vanuit Middelburg bevrachten waren onder meer de handelshuizen van Steven Schorer, De Bruijn & Smit, Van der Perre & Mijndert en Spoors & Sprengers, waarvan sommige ook eigen schepen hadden. Tussen 1771 en 1789 werden in totaal 360 reizen naar de koloniën ondernomen, waarvan de Zeeuwen er 152 voor hun rekening namen en Amsterdam 189. De eerste twee boekjaren werd 3% dividenduitkering uitgekeerd en bleef nog 4.500 gulden in kas. Daarna werd tot 1778 jaarlijks verlies geleden. Pas na 1779 werd weer winst gedraaid.[1]
Bij de val van de kolonie op 3 februari 1781 werden in totaal 23 schepen buitgenomen waarvan vier Zeeuwse: de ''Eensgezindheid'' (kapitein Andries Christiaan Doutz) geladen met meel; de ''Jonge Juffrouw Margaretha'' (kapitein Cornelis van Kakum) geladen met suiker, koffie en katoen; de ''Middelburgsche Hoop'' (kapitein Hans Theudels) geladen met suiker, koffie en katoen en de ''Vryheid'' (kapitein Peterse) geladen met suiker, koffie en katoen. Hierna kwam het financieel niet meer goed met de SNER. In 1788 werd besloten tot liquidatie, waartoe Johan Valentijn Sprenger werd aangesteld als curator. Met de verkoop van schepen werd de schuld ingelost zodat de organisatie nog enige tijd bleef bestaan.[2]
Kapiteins die voor de SNER hebben gevaren waren: Wrister Pieterse Nap, Stoffel Different, Maarten van Lou, Barend Land, Frans Hansen, Cornelis Medendorp, Jan Clisser, Hans Theudels, Hendrik Medendorp, Rocus van Swijndregt, Andries Christiaan Doutz, Pieter Willem Prins, Pieter Harmsz., Rocus Boom en Barend Goverts.[3]

Literatuur
*A. Wisse, 'De overgave van Demerary en Essequibo in 1781', in: Historia. Maandschrift voor geschiedenis en kunstgeschiedenis 8 (1942) 191-192.
*Ruud Paesie, Sociëteit van Essequebo; op- en ondergang van een coöperatieve scheepvaartonderneming, 1771-1788 (Vlissingen, 2017).
*Ruud Paesie, ‘De 'Societeyt ter Navigatie op Essequebo en annexe Rivieren': op- en ondergang van een Zeeuwse rederij’, in: Maurits Ebben, Henk den Heijer en Joost Schokkenbroek (red), Alle streken van het kompas. Maritieme geschiedenis in Nederland (Zutphen, 2010) 295-316.
*P.M. Netscher, Geschiedenis van de koloniën Essequebo, Demerary en Berbice, van de vestiging der Nederlanders aldaar tot op onzen tijd ('s-Gravenhage, 1888).

Noten
[1] Ruud Paesie, ‘De Societeyt ter Navigatie op Essequebo en annexe Rivieren,’ 300-304.
[2] Nieuwe Nederlandsche Jaerboeken 16/II (1781) 1086-1087 en Ruud Paesie, ‘De Societeyt ter Navigatie op Essequebo en annexe Rivieren,’ 308-309.
[3] Ruud Paesie, ‘De Societeyt ter Navigatie op Essequebo en annexe Rivieren,’ 311-312.


Bij deze context horen de volgende brieven: