Wat zoek je in de Digitale Collectie Zeeland?

Inhoud brieven van 7 en 9 januari 1672
Salomon Maertins verzendt aan zijn broer Martinnis Maertins twee brieven, respectievelijk op de 7de en de 9de januari 1672, vanuit Suriname op de Zandpunt in Torarica, de toenmalige hoofdplaats.
Rede ParamariboDe rede van Paramaribo in het laatste kwart van de zeventiende eeuw …‘alle cloecke ende gesondt’… Verheugd schreef Salomon Maertins op 7 januari 1672, in zijn eerste brief aan zijn broer Martinnis Maertins, dat hij veilig gearriveerd was in Suriname. Nadat hij de 19de oktober per schip vertrokken was uit Vlissingen kwam hij de 7de november ter hoogte van de Canarische Eilanden. De 17de november kwam zijn schip aan in St. Vincent, waar de watervoorraad aangevuld werd. De 20ste november werd er opnieuw water ingenomen en reisde men verder naar Suriname, om daar de 31ste december voet aan wal te zetten bij prachtig weer. Op 3 januari was Salomon met de heer Van den Cleuwaerdt en andere vrienden naar de plantage Rack a Rack vertrokken, waar de heer De Zoute hen nogal koel verwelkomde. Hij wilde hen niet als meesters of eigenaars van de plantage accepteren. Daarop hebben Salomon en zijn collega’s om een onderhoud gevraagd met de heer Batij, secretaris en voorlopig plaatsvervanger van de overleden heer Jan Bolle. Dezelfde dag nog regelde Batij na enig overleg, de participatie van eigenaars op de plantage, waarbij 3/9de aan Salomon toebedeeld werd en 1/9de aan Van den Cleuwaerdt, wat de volgende dag al bevestigd werd. Salomon stond, de 9e januari, wéér op vertrek naar de Zandpunt om samen met de maarschalk, de goederen in beslag te nemen. Het was de bedoeling dat de maarschalk op de terugweg de heer Zoute en zijn vrouw meenam naar het fort om daar te verblijven, zodat Salomon en collega’s in de gelegenheid waren de plantage rustig in ogenschouw te nemen en daar de boel draaiende te krijgen; die plantage die zij opgelucht in goede staat en welgelegen aantroffen. Dankzij de heer Van Bambeke bevonden zij zich volgens eigen zeggen op de beste en de gezondste plantage van geheel Suriname. Salomon moest zijn brief afbreken, want schipper Cornelis Bastiaensen kon niet langer wachten. Hij liet zijn zussen en zijn kind groeten en raadsheer Van der Belse en alle vrienden. Mocht de schipper nog drie à vier dagen blijven, dan zou het langer kunnen schijnen voor de zussen en de vrienden, alsmede de staat van het land die ‘soo vre[e]mpt niet his voor die op haer selven passen.’ Hij meldde dat de olieslager ziek was en dacht dat deze het niet lang meer zou maken. Salomon groette zijn broer via Claes Soetelinck, en beloofde dat hij zijn broer antwoorden zou. Gelukkig was Salomon gezond en ook de heer Van den Cleuwaerdt, al heerste nu de regentijd die leek op onze zomertijd, maar dan met vlagen. Hij vroeg zijn broer enige provisie te zenden met alle schepen en dat ze niet na zullen laten, elkaar te schrijven. Plantage Valkenburg 1707 Rijksmuseum SK-A-4075Sinaasappelplantage in Suriname, olieverfschilderij Dirk Valkenburg, ca. 1707, collectie Rijksmuseum, Amsterdam

Twee dagen na zijn eerste brief, stuurde Salomon Maertins een tweede brief naar zijn broer Martinnis Maertins, waarin hij zijn ongenoegen uitsprak over de slechte communicatie tussen hem en de heer Zoute. Intussen was hij keer op keer op de plantage geweest om Zoute en zijn vrouw te verzoeken de plantage te verlaten, maar tevergeefs. Inmiddels heeft hij de maarschalk ontboden die op 9 januari gekomen was. Samen met hem en zijn knechten zal Salomon de volgende ochtend vertrekken van De Zandpunt naar de plantage. Hij verwacht dat de maarschalk Zoute en zijn vrouw goedschiks noch kwaadschiks zal willen meenemen. Salomon gaat er vanuit een timmerman en metselaar op de plantage te krijgen, om onder meer reparaties aan het kokshuis te verrichten. Voortvarend hoopt hij woensdag of donderdag aan het malen te gaan en het gevallen land te beplanten. Wat betreft de samenwerking met ‘De Zoute’, die ziet hij met ongerustheid tegemoet. Zodra hij de zaken op orde heeft met Jan de Kuiper, zal hij zijn recht opeisen. Op de plantage werken 29 à 31 slaven, zowel volwassenen als kinderen. Salomon meende dat er nog 30 à 35 slaven bij moesten komen, die bij de eerste de beste gelegenheid gekocht zouden moeten worden, samen met twee à drie paarden. Op dat moment waren er negen paarden op de plantage. Het zou Salomon in het begin daarom waarschijnlijk wel moeilijk vallen. Maar hij zal zijn plicht doen en er het beste van maken op de plantage, waar het gezond, prettig en vermakelijk is te wonen, meer nog dan op de Zandpunt en het fort; de herinnering incluis. Salomon voegde een lijst toe van op te sturen goederen. Hij dringt erop aan deze met het eerste schip te zenden en vooral ook niets te vergeten, want hij heeft ze direct nodig. Hij bestelde onder meer lijnwaad, enkele oxhoofden azijn en een ton pek en een ton teer en tabakspijpen. Ook laat hij materiaal komen voor de slaven, zoals meer dan tweehonderd pond Spaanse zeep (kennelijk nodig om handen te wassen na de arbeid). Tevens liet hij allerlei voor het werk niet noodzakelijke spullen komen. Die mogen dan ook van inferieure kwaliteit zijn van hem, zoals ‘slechte’ trompetten, fluiten en snoeren met valse parels en oorringen. Kennelijk alle bestemd voor de slaven. Ook vroeg hij om enkele Goudse kazen, maar bij het meegeven op het schip moest er wel op aangedrongen worden dat de bemanning deze om de paar weken omdraaide. Het versturen van bier naar de tropen had geen zin volgens Salomon, omdat dit bedierf en de mensen er ziek van werden en er aan dood gingen. Hij zag graag een ‘timmerman zonder faute’ op de plantage; een man die zijn vak goed verstond en bovendien de kano van de gouverneur kon nabouwen. Géén timmerman zou forse schade voor de plantage betekenen. Een timmerman kon men 3 à 4 weken aan het werk houden op de plantage en hij zou, als men hem niet meer nodig had, kunnen werken bij een ander. Aan vaklieden als timmerlui, metselaars, kappers en aan kooplieden was op de plantage moeilijk te komen. Het zou goed zijn deze vooraf over de plantage(s) te verdelen. De planter betaalde voor het ronselen van deze vaklieden een hoge prijs, maar met de (uit)betalingen aan deze mensen was het slecht gesteld. Salomon deed de groeten aan zijn zussen en zijn kind Maritie, raadsheer Van der Belse en alle vrienden. Hij liet weten dat secretaris Jan Bolle overleden was en er veranderingen in de regering op komst waren. Salomon voegde eraan toe dat, mochten zijn familieleden De heer Van Belse spreken, ze hem konden zeggen dat hij hen informatie hierover zou sturen met het eerstvolgende schip Poelwijck dat binnen veertien dagen zou volgen. In zijn nawoord deed Salomon nog eens de oproep, om hem op tijd de goederen te sturen tezamen met enkele verversingen. Er stond veel suiker op het land, maar er bevonden zich op de plantage veel manke slaven. Ook waren er manke paarden zodat het werk moeizaam vlotte. Hij verwachtte vanaf dan twintig tot dertig schepen vol te kunnen laden. Al met al kwam er veel op Salomon af tijdens zijn verblijf in Torarica, maar hij was nog maar net aangekomen en zag vol verwachting uit naar zijn nieuwe leven op de plantage Rack a Rack. Na nog een laatste groet beval hij zijn familie aan in de genade van God.

De positie van Suriname aan de vooravond van de Derde Engelse Oorlog
De Derde Engelse Oorlog (1672-1674) eindigde met de Tweede Vrede van Westminster. Suriname was reeds in 1667 door Abraham Crijnssen veroverd op de Engelsen. Op hun beurt hadden de Engelsen Nieuw-Amsterdam in bezit genomen. In 1673 werd het weer op de Engelsen heroverd, maar in het vredesverdrag stond dat deze kolonie definitief aan de Engelsen werd overgedragen en de Nederlanders (Zeeuwen) behielden Suriname. De Engelsen hadden aan de monding van de Suriname-rivier het houten fort Willoughby gebouwd. Dit werd versterkt met kanonnen en bemand met soldaten. Thorarica was niet langer de hoofdstad, deze werd verplaatst naar de omgeving van het Fort Zeelandia en werd Nieuw Middelburg (later Paramaribo) genoemd. De stad was daardoor makkelijker te verdedigen en het had een gunstiger ligging voor de handel. Na 1667, het einde van de Tweede Engelse oorlog, moesten de Engelse bestuurders het land verlaten. Het land werd evenals de plantages geplunderd. Veel planters werden gedwongen om met hun slaven te vertrekken naar het nabij gelegen St. Kitts. Wie bleef diende een eed van onderwerping aan het Zeeuwse gezag af te leggen. Deed men dit, dan bleef men dezelfde rechten houden die er onder het Engelse bestuur golden. De meeste planters vertrokken en het was zodoende lastig om met een paar honderd mensen van Suriname een winstgevende kolonie te maken. Het resulteerde er in dat Zeeland Suriname in 1682 aan de WIC verkocht. De Nederlanders waren ten opzichte van Nieuw-Amsterdam meer gebrand op Suriname omdat men er voor het maken van maximale winst en een zo goed mogelijke handel meer mogelijkheden zag. In Suriname lagen grote plantages waar Nederlanders veel producten verbouwden. De kolonie Nieuw-Amsterdam was niet gericht op verbouw van producten, slechts op de handel. Men vond het in die tijd daarom gunstiger om Suriname in handen te hebben. Er werd daar ook bauxiet gevonden en van deze grondstof verwachtte men veel: men dacht een grondstof monopolie in handen te hebben. Dat bleek een misvatting: bauxiet bleek (voorlopig) nog niet goed bruikbaar en werd pas veel later een belangrijk exportproduct.

Literatuur
*G.W. van der Meiden, Betwist bestuur. De eerste bestuurlijke ruzies in Suriname, 1651-1753 (Amsterdam, 2008).
*John H. de Beye, Torarica, de oude hoofdstad van Suriname (Zutphen, 2017).
*F. Dikland, Zeeuwse archivalia uit Suriname en omliggende kwartieren 1667 – 1683 (2003).
*F. Oudschans Dentz, 'De herkomst en betekenis van Surinaamse plantagenamen', in: De West-Indische Gids 26/nr. 1 (1944) 147-180.
*Jan Marinus Linde, Surinaamse suikerheren en hun kerk: plantagekolonie en handelskerk ten tijde van Johannes Basseliers, predikant en planter in Suriname, 1667-1689 (Wageningen, 1966) passim.

Noten