Wat zoek je in de Digitale Collectie Zeeland?

Samenvatting inhoud brief
Guadeloupe2Kaart van Guadeloupe, uitgegeven door Jacques N. Bellin (Parijs), kopergravure, ca. 1764 Op 10 november 1664 sturen de broers Cornelis en Jean Brandt vanaf Guadeloupe een brief aan hun vader en kapitein Cornelis Brandt in Vlissingen. Deze brief wordt meegegeven aan schipper Leendert Matthijs.
Beide broers verkeen nog in goede gezondheid. Cornelis laat weten op 4 november zijn laatste brief geschreven te hebben, die hij had meegegeven aan de heer Pertonneau, die als eerste van het eiland vertrok richting de Republiek. Hij heeft daarmee een wisselbrief gegeven van fl. 82,50 in Franse Livres Tournois die wordt uitbetaald door het handelshuis van Henrij in Amsterdam. De wissel is volgens de adviesbrief van de heer Du Pont voor een half oxhoofd brandewijn dat op Guadeloupe is verkocht. Kapitein Jean Huijssen zal daarover meer zekerheid kunnen verschaffen.

Het verwondert Cornelis dat hij via Jean heeft vernomen dat de partij suiker van 40.000 pond is verhandeld in een partij van slechts drie- tot vierduizend pond. Hij laat weten dat het niet aan hem heeft gelegen, maar geeft in plaats daarvan de slaven er de schuld van! Hij hoopt echter dat de toekomstige winsten in het voorjaar deze verliezen zullen vergoeden, want dat er een goede oogst aankomt staat voor hem vast. Vervolgens geeft hij een opsomming van de partijen suiker (in totaal 35.000 pond) die hij verwacht te ontvangen van de volgende personen:

-overste Claes 9.000 pond.

-Bologniën 6.000 pond.

-Lijstrij 3.000 pond.

-Claes Gerritssen, 3.000 pond.

-Du Kerrij, 3.000 pond.

-Morel 3.000 pond.

-Couldraij 3.000 pond.

-De Bruijne 2.000 pond.

-Schojen 3.000-4.000 pond.

Wel spreekt hij uit te hopen dat er geen onheil over deze oogst komt: ‘soo der maer gheen
plaegen meer voorvallen, dat sulcx quaeme te v[er]hinderen’, want hij gaat er vanuit dat hij zeker tot wel 100.000 pond kan verhandelen.

Guadeloupe1Suikerplantage op Guadeloupe, foto: Wikimedia Commons

De heer Tracij is enkele dagen tevoren naar Grenada vertrokken voor een reis vaan twee maanden. Hij heeft als plaatsvervangend gouverneur De Lijon aangesteld in plaats van de heer Hovel, hetgeen iedereen verwacht had. Cornelis Machij is drie maanden tevoren verhuisd en had zolang bij de broers Brandt gewoond.
De broers zijn door Jannes goed voorzien en het land staat er goed bij, ook al draaien de suikermolens op dat moment niet, maar hij verwacht dat dit binnen een maand of zes weken zal gaan gebeuren en de schepen geladen worden. Hij weet nog niet met wie de suiker meegegeven moet worden, want de schepen die vanaf St. Christoffel (St. Kitts) komen zijn meestal al volgeladen. Schipper Gerrit Tange had ehcter beloofd, toen hij op Guadeloupe was om weerom te komen. De broers hadden hem daartoe vijf duiten per pond vracht geboden. Een aanzienlijk bedrag gerekend naar de duizenden ponden suiker die mee gingen. Veel vertrouwen heeft Cornelis hierin nog niet, want vrijwel alle schippers mijden Guadeloupe.

Ze verzoeken om aan Janneke Ketelaers vijftig Pond Vlaams uit te betalen, en aanvullen de 256 Pond Vlaams (fl. 1.536) die met Paul Janssen was gearriveerd, want zij kan het geld kennelijk goed gebruiken. Ze zal in het kasboek aan de debetzijde worden bijgeschreven.
 
Tweede Engelse Oorlog
Strenge scheepvaartwetten van de Britten, die onder meer export van Britse goederen naar niet-Britse landen door buitenlanders verboden, lagen ten grondslag aan de oorlog tussen de Republiek en Groot-Brittannië. Ook constante conflicten in de koloniale gebieden vormden hiervoor de aanleiding. Zo veroverden de Britten in 1664 Curaçao en Nieuw-Amsterdam en werden door Robert Holmes Nederlandse forten op de Afrikaanse kust ingenomen. De Ruyter, die op strafexpeditie naar Afrika en West-Indië werd gestuurd, heroverde deze forten weer. Een door de Staten-Generaal in oorlog geïnitieerde actie die tegenwoordig nogal eens volstrekt buiten de context wordt uitgelegd als zou De Ruyter hiermee bewust de slavenhandel en slavernij in stand gehouden hebben.
De oorlog werd vooral ter zee uitgevochten. De Britten namen 522 Nederlandse koopvaardijschepen buit. Tijdens deze oorlog zat het de Britten niet mee. In 1665 brak de pest uit in Londen en op 12 september 1666 woedde een grote brand in de stad. De eerste zeeslag, die van 13 juni 1665 in de Slag bij Lowestoft werd nog gewonnen door de Britten, maar in de Vierdaagse Zeeslag (11-14 juni 1666) trokken de Nederlanders aan het kortste eind. De Tweedaagse Zeeslag (4 augustus 1666) was wederom een overwinning voor de Britten, waarna Terschelling in de as werd gelegd. Raadpensionaris Johan de Witt revancheerde zich met een plan om de thuisbasis van de Engelse vloot aan te vallen. Tussen 19 en 24 juni 1667 voer een vloot onder De Ruyter de Thames op en vernietigde bij Chatham drie kapitale en tien andere oorlogsschepen en nam het vlaggenschip HMS Royal Charles op sleeptouw als buit mee naar de Republiek. Op 31 juli 1667 werd de Vrede van Breda gesloten tussen beide mogendheden.

Literatuur
*J.R. Bruijn, The Dutch Navy of the seventeenth- and eighteenth centuries (Columbia (South Carolina), 1993).
*Gijs Rommelse, The Second Anglo-Dutch War (1665-1667). Raison d’état, mercantilism and maritime strife (Hilversum, 2006).
*A. Doedens, Liek Mulder, Nederlands-Engelse oorlogen. Door een zee van bloed in de Gouden Eeuw, 1652-1674 (Zutphen, 2016).

Noten

Bij deze context horen de volgende brieven