Wat zoek je in de Digitale Collectie Zeeland?

Inhoud brief

St ChristoffelKaart van St. Christoffel (het huidige St. Kitts) uit 1729. De Zeeuwse nederzetting Caap Ster bevind zich in het uiterste noordwesten van het eiland, bron: Wikimedia Commons Het zijn prettige woorden die Pieter Tant aan zijn vrouw, Gerken Jacops, schrijft op 9 december 1664 vanuit St. Christoffel (St. Kitts). Hij is bezorgd om haar want hij heeft in haar laatste brief gelezen dat ze de laatste tijd niet goed slaapt. Gerken is in verwachting en Pieter spreekt de hoop uit dat het gauw beter met haar zal gaan. Hij is benieuwd of hij thuis een dochter of zoon zal aantreffen, als hij terugkomt van zijn reis.

Door de langdurige regen heeft Pieter zijn brieven niet op tijd kunnen versturen en komt hij later thuis dan verwacht. Begin januari denkt hij te kunnen vertrekken, maar hij weet niet of het dan oorlog is of niet. Bang om door een kaper overvallen te worden is hij niet, want hij gaat uit van Gods nabijheid en rekent erop veilig het Kanaal tussen Calais en Dover door te komen met de achttien stuks geschut op het schip. Aan boord is men ruim voorzien van voedsel. De maaltijden kunnen verdeeld worden over veertig mensen.

SK A 439Veroverde Engelse schepen na de Vierdaagse Zeeslag. De veroverde schepen 'Swiftsure', 'Seven Oaks', 'Loyal George' en 'Convertine' worden het Goereese Gat binnengebracht na de Vierdaagse Zeeslag, 11-14 juni 1666, olieverf op doek, Willem van de Velde de Jonge, 1666, Collectie Rijksmuseum Amsterdam, SK-A-439 Pieter heeft nog schulden uitstaan die hij het liefst zou betalen. Hij overweegt deze gedeeltelijk te betalen in natura. Hij stuurt onder meer 250 pond rollen tabak met Jan Ate en 25 pond koevet om de schuld aan Keijser in te lossen. Met kapitein Backer van Amsterdam heeft hij een wisselbrief meegestuurd die namens Poemrou aan schipper Geleijn Blonckebijle moet worden betaald. Pieter Tant heeft een obligatie van 225 gulden gestuurd naar zijn vrouw Gerken, die zij van Blonckebijle in ontvangst moet nemen. Hij draagt zijn vrouw op een obligatie aan de timmerman te betalen. Schipper Leendert Mathijssen (die ook deze brief meenam) zou daar bovenop ook nog eens tweehonderd gulden aan haar betalen. Ook heeft hij nog een schuld van dertig gulden aan Jean Tant afkomstig van Poemrou en een andere schuld van Jean Soeper aan Maerten Nikoe. Aan de heer Samsen is er een schuld te betalen van 9 pond 1 schelling  en een groot (fl. 36,23), die met schipper Baerent wordt meegestuurd. Aan Jean Tant komen nog 87 rollen tabak van het cargazoen toe.

Ten slotte doet Pieter de groeten aan zijn zusters en broers, vrienden en bekenden. Hij wenst allen veel geluk en een lang leven toe.

Het echtpaar Tant
Pieter Pietersen Tant trouwde op 26 juli 1659 te Vlissingen met Geertje Jacobs. Hij was toen weduwnaar van zijn eerste vrouw Neeltje Cornelis.[1] Gerken Jakops en haar man Pieter Tant bewoonden de huidige Dortmanstraat 4 te Vlissingen.

De Tweede Engelse Oorlog (1665-1667)
Strenge scheepvaartwetten van de Britten, die onder meer export van Britse goederen naar niet-Britse landen door buitenlanders verboden, lagen ten grondslag aan de oorlog tussen de Republiek en Groot-Brittannië. Ook constante conflicten in de koloniale gebieden vormden hiervoor de aanleiding. Zo veroverden de Britten in 1664 Curaçao en Nieuw-Amsterdam en werden door Robert Holmes Nederlandse forten op de Afrikaanse kust ingenomen. De Ruyter, die op strafexpeditie naar Afrika en West-Indië werd gestuurd, heroverde deze forten weer. Een door de Staten-Generaal in oorlog geïnitieerde actie die tegenwoordig nogal eens volstrekt buiten de context wordt uitgelegd als zou De Ruyter hiermee bewust de slavenhandel en slavernij in stand gehouden hebben.
De oorlog werd vooral ter zee uitgevochten. De Britten namen 522 Nederlandse koopvaardijschepen buit. Tijdens deze oorlog zat het de Britten niet mee. In 1665 brak de pest uit in Londen en op 12 september 1666 woedde een grote brand in de stad. De eerste zeeslag, die van 13 juni 1665 in de Slag bij Lowestoft werd nog gewonnen door de Britten, maar in de Vierdaagse Zeeslag (11-14 juni 1666) trokken de Nederlanders aan het kortste eind. De Tweedaagse Zeeslag (4 augustus 1666) was wederom een overwinning voor de Britten, waarna Terschelling in de as werd gelegd. Raadpensionaris Johan de Witt revancheerde zich met een plan om de thuisbasis van de Engelse vloot aan te vallen. Tussen 19 en 24 juni 1667 voer een vloot onder De Ruyter de Thames op en vernietigde bij Chatham drie kapitale en tien andere oorlogsschepen en nam het vlaggenschip HMS Royal Charles op sleeptouw als buit mee naar de Republiek. Op 31 juli 1667 werd de Vrede van Breda gesloten tussen beide mogendheden.

Literatuur
*J.R. Bruijn, 'Kaapvaart tijdens de tweede en derde Engelse Oorlog', in: Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden 90 (1975) 408-429.
*Edwin Quak, De Nederlandse kaapvaart tijdens de Tweede en Derde Engelse Oorlog (Maasdijk/Leiden, 2006).
*J.R. Bruijn, The Dutch Navy of the seventeenth- and eighteenth centuries (Columbia (South Carolina), 1993).
*Gijs Rommelse, The Second Anglo-Dutch War (1665-1667). Raison d’état, mercantilism and maritime strife (Hilversum, 2006).
*A. Doedens, Liek Mulder, Nederlands-Engelse oorlogen. Door een zee van bloed in de Gouden Eeuw, 1652-1674 (Zutphen, 2016).

Noten
[1] GAV, toegang 7357, Hervormde Gemeente te Vlissingen, Kerkenraad en Kerkvoogdij, 1579-1973, inv.nr. 536.


Bij deze context horen de volgende brieven: