Wat zoek je in de Digitale Collectie Zeeland?

Inhoud brief
14 maart 1780. De post bestemd voor Frans Reichert, kapitein op het snauwschip: De Jonge Nicolas Jan, bevat twee brieven: één van zijn vrouw Elisabeth en één van zijn zoon Pieter Nicolas.
Uit beide brieven blijkt de liefde voor en het verlangen naar hun man en vader.
Moeder Elisabeth Reichert-Hermands zegt haar man dat zij lijdt onder zijn voortdurende afwezigheid en graag een bericht van hem zou willen ontvangen en hoopt dat hij na een behouden reis over zestien maanden gezond bij het gezin terug is.
Zij vertelt hem dat de tijden slecht zijn en er over oorlog gesproken wordt.
De jonge Lambrecht is kapitein op het schip van stuurman Udemans. Van haar mans boekhouder, de heer Bolle is de schuit verkocht. Die zal naar Holland gaan.
Neef Plaan verkeert in beste gezondheid, evenals nicht Miete en haar kind. Miete woont op dit moment bij Elisabeth. Voor Elisabeth toekomt aan het groeten, spreekt zij haar ongerustheid uit over deze brief, waarvan ze denkt dat die haar man wel nooit bereiken zal, zodat ze haar ‘lieve man’ beveelt in de handen van God.
Zij doet haar man de groeten van zichzelf en haar zoon; namens Miete en haar man en de bazin van de meid. Tevens groet ze neef Jacobus en de dokter. Deze laatste ook van zijn vrouw en zuster. Vrienden, bekenden en officieren worden gegroet en de vrouw van de kok aan boord groet haar man via deze brief.
Als laatste schrijft zij slecht nieuws: eind februari is de vrouw van kapitein Moolhaart overleden. Nog één keer groet Elisabeth haar man intens met de woorden: ‘Genagt maatlieve, ik blijf u lieve en hertgrondig huijsvrouw tot mijn dood.’ en sluit dan af.
Pieter Nicolas, de zoon van Frans Reichert, wil graag zijn ‘vaderlief’ laten weten dat zijn moeder en hij gezond zijn. Ook met Meitje en haar zoon Zander gaat het goed. Pieter Nicolas is naar de Franse school geweest en heeft een nieuwe schoolmeester gekregen. Ook Zandra gaat naar school. Hij geeft meervoudige groeten en ‘genachtheden’ namens hemzelf, Zandra, echtgenoten van verschillende mensen en hun kinderen en verdere bekenden aan zijn vader, neef Jacobus, de dokter, stuurman Lammerman, en de kok. Als laatste vraagt hij zijn vader dringend, een papegaai mee te nemen voor juffrouw Wandel en meldt dat de maan nog gezond is.

Het bijzondere van deze brief is dat hiervan -in tegenstelling tot de meeste brieven afkomstig van het High Court of Admiralty- bekend is dat deze zijn bestemming bereikt heeft. De brief is namelijk buitgemaakt toen deze vanuit West-Indië naar de Republiek terug ging. Toch is het tegelijk een droevige brief, want de geadresseerde heeft dit laatste bericht van zijn vrouw en zoon nooit meer gelezen. Door een attestatie die plaatsvervangend schipper Carel Breedau door notaris Broekhuijsen in Fort Nassau te Essequebo liet opstellen, weten we dat kapitein Frans Reichert op 6 april 1780 op de kust van Kaap Cors (West-Afrika) is overleden. De kapitein was in oktober 1779 met de Jonge Nicolaas Jan uit Vlissingen vertrokken. Breedau kreeg overigens nog meer tegenvallers, want ook de eerste en tweede stuurman, Frans Stoffels en Jacobus Rotteveel, zouden in oktober 1780 overlijden.[1]

Familie Reichert
Frans Reichert legt als ‘opvarende’ op 12 december 1774 belijdenis af als lidmaat van de Nederduitsch-Gereformeerde kerk in Vlissingen. De ouders van Frans Reichert waren vermoedelijk de in de Kerkstraat woonachtige Francois Reichert (die voor 1771 overleed) en diens vrouw Elisabeth Imandsen.[2] Reichert overleed zelf op 6 april 1780 op de kust van Kaap Cors.[3]

De Vierde Engelse Oorlog

RP-P-1944-2030De Nederlandse en Engelse schepen in linie bij de aanvang van de zeeslag bij Doggersbank op 5 augustus 1781 tussen de Nederlandse vloot onder schout-bij-nacht Johan Zoutman en de Engelse vloot onder vice-admiraal Hyde Parker. Ets door Matthias de Sallieth, 1781, Rijksmuseum Amsterdam, P-P-1944-2030 Tussen 1688 en 1780 bestond tussen Groot-Brittannië en de Republiek meer dan negentig jaar lang een militaire alliantie met wederzijdse verplichtingen. De Republiek had zijn vloot decennialang verwaarloosd en kon daaraan eigenlijk niet meer voldoen. Daar stond tegenover dat Britse kapers en marineschepen in de vele oorlogen met Frankrijk op grote schaal neutrale Nederlandse koopvaardijschepen opbrachten. De wederzijdse irritatie bereikte een hoogtepunt toen gouverneur Laurens de Graaff in 1776 een militair saluut bracht aan het Amerikaanse kaperschip Andrew Doria op de rede van St. Eustatius. Dat was een erkenning van de VS nog voordat welk ander land dat gedaan had. De Britten ergerden zich aan de grootschalige buskruit- en wapenexport die vanuit het kleine eilandje werd bedreven met de Amerikaanse opstandelingen en ondanks Nederlandse toezeggingen ongehinderd doorgang bleven vinden. Een reeks aan incidenten leidde in de daaropvolgende jaren tot het uitbreken van de oorlog. Een belangrijke aanzet daartoe was het onderscheppen van een handelsverdrag tussen de stad Amsterdam en de VS, in geval deze onafhankelijk zouden zijn. Deze papieren werden aangetroffen bij Henry Laurens, die vanuit de VS op weg was naar de Republiek om het ambt van ambassadeur te gaan vervullen. De directe aanleiding tot de oorlog vormde de aansluiting van de Republiek bij het Verbond van Gewapende Neutraliteit met onder meer Rusland, Denemarken en Zweden. Voordat dit kon worden geratificeerd besloot Groot-Brittannië op 20 december 1780 de oorlog te verklaren. Binnen enkele maanden werden meer dan vierhonderd Nederlandse schepen buitgemaakt door de Royal Navy en Britse kaperschepen, die met honderden tegelijk de Noordzee bevolkten. Voordat een waarschuwing West-Indië had bereikt slaagde admiraal George Rodney er met een Britse vloot in om op 3 februari 1781 St. Eustatius te veroveren en alle voor anker liggende schepen op te brengen; een miljoenenstrop voor de Republiek. Ook de kolonies Suriname, Essequebo en Demerary werden ingenomen. Door de aanwezigheid van de marine bleef Curaçao wel in Nederlandse handen.
De enige zeeslag van de oorlog was die bij Doggersbank op 5 augustus 1781, die eindigde in een remise. Als er al van een slag gesproken kan worden, want feitelijk waren het niet meer dan twee eskaders van acht schepen die beide een konvooi escorteerden en elkaar troffen.
Na een korte strijd, waarbij amper andere belangrijke gevechtshandelingen plaats vonden kwam het op 26 januari 1783 tot een wapenstilstand tussen beiden landen. Pas op 20 mei 1784 werd een ongunstige vrede gesloten, waarbij de Republiek vooral in Oost-Indië gebied verloor.[4]

Youtube

youtube
Samenvatting inhoud brief voor Wij zijn de stad op youtube.

Literatuur
*Johan Francke, Al die willen te kaap’ren varen. De Nederlandse commissievaart tijdens de Vierde Engelse Oorlog, 1780-1784 (Zutphen, 2019).
*Willem de Bruin, De Gouden Rots. Hoe op St. Eustatius wereldgeschiedenis werd geschreven (Amsterdam, 2019).
*Barbara Tuchman, Het eerste saluutschot. De Amerikaanse vrijheidsstrijd en de Republiek (Houten, 1988).
*Jan Willem Schult Nordholt, The Dutch Republic and American Independence / Voorbeeld in de verte. De invloed van de Amerikaanse Revolutie in Nederland  (Chapel Hill, 1982/Baarn, 1979).

Noten
[1] TNA, HCA 30, inv.nr. 321. Notariële attestatie van Carel Breedau voor notaris Broekhuijsen, 28 augustus 1780.
[2] ZA, DTBL Vlissingen 27 (NG Lidmatenregister 1770-1810), K 485, folio 17 en toegang 511, Rekenkamer D, inv.nr. D 69501.
[3] TNA, HCA 30, inv.nr. 321. Notariële attestatie van Carel Breedau voor notaris Broekhuijsen, 28 augustus 1780.
[4] Johan Francke, Al die willen te kaap’ren varen, Zie hoofdstuk 1.

Bij deze context horen de volgende brieven: