Wat zoek je in de Digitale Collectie Zeeland?

Inhoud brief

Rede ParamariboDe rede van Paramaribo in het laatste kwart van de zeventiende eeuw Abraham Pattijn ligt met zijn schip op de rede van Paramaribo en schrijft op 15 september 1672 een brief aan zijn vrouw Neelken Andriesen, die recht tegenover de hoek van de weefschool in Vlissingen woont. Abraham laat zijn kinderen en vader en moeder groeten. Zelf is Pattijn nog gezond. Vermoedelijk is hij schipper, want hij heeft het over ‘ons volck.’ Hij vraagt zijn vrouw tegen oom Piet te zeggen dat hij denkt dat die de honderd pond suiker van Bouwdewijn de Smidt wel nooit meer zal zien, omdat het een dronkaard is: ‘… wandt het is een grooten droencker. Wandt hy verdrijnckt meer als hij winnen can, soodat een idereen wat van
van hem hebben moet
.’ Deze De Smidt woont twee mijl boven de Zandpunt. Pattijn zal aan Jan Andriesen vragen om twee meegenomen ankers brandewijn of er anders een obligatie voor te vragen. Hij zal proberen suiker met hem mee te geven, maar vreest dat Andriesen al vertrokken zal zijn voordat hij zelf afmeert. Het schip is namelijk voortdurend aan het kruisen op zee. Pattijn vraagt zijn vrouw, die hij aanduidt met ‘maet’ of ze toch vooral wil blijven schrijven, want hij ontvangt heel weinig nieuws: ‘… wij en hooren hier niet met allen, wij sijn hier alsof ’t men uijt de weerelt waere.’ Hoe lang de tocht nog gaat duren weet hij niet, maar het snauwschip is goed onderhouden en kan nog wel een tijdje mee. Pattijn had een papegaai gekocht om mee te nemen naar huis, maar het dier heeft iets verkeerds gegeten waardoor het overleden is.
Pattijn groet naast zijn familieleden in het bijzonder Grietje Pieters, zijn nicht en hoopt dat ze een gelukkig huwelijk zal sluiten.

De positie van Suriname aan de vooravond van de Derde Engelse Oorlog
De Derde Engelse Oorlog (1672-1674) eindigde met de Tweede Vrede van Westminster. Suriname was reeds in 1667 door Abraham Crijnssen veroverd op de Engelsen. Op hun beurt hadden de Engelsen Nieuw-Amsterdam in bezit genomen. In 1673 werd het weer op de Engelsen heroverd, maar in het vredesverdrag stond dat deze kolonie definitief aan de Engelsen werd overgedragen en de Nederlanders (Zeeuwen) behielden Suriname. De Engelsen hadden aan de monding van de Suriname-rivier het houten fort Willoughby gebouwd. Dit werd versterkt met kanonnen en bemand met soldaten. Thorarica was niet langer de hoofdstad, deze werd verplaatst naar de omgeving van het Fort Zeelandia en werd Nieuw Middelburg (later Paramaribo) genoemd. De stad was daardoor makkelijker te verdedigen en het had een gunstiger ligging voor de handel. Na 1667, het einde van de Tweede Engelse oorlog, moesten de Engelse bestuurders het land verlaten. Het land werd evenals de plantages geplunderd. Veel planters werden gedwongen om met hun slaven te vertrekken naar het nabij gelegen St. Kitts. Wie bleef diende een eed van onderwerping aan het Zeeuwse gezag af te leggen. Deed men dit, dan bleef men dezelfde rechten houden die er onder het Engelse bestuur golden. De meeste planters vertrokken en het was zodoende lastig om met een paar honderd mensen van Suriname een winstgevende kolonie te maken. Het resulteerde er in dat Zeeland Suriname in 1682 aan de WIC verkocht. De Nederlanders waren ten opzichte van Nieuw-Amsterdam meer gebrand op Suriname omdat men er voor het maken van maximale winst en een zo goed mogelijke handel meer mogelijkheden zag. In Suriname lagen grote plantages waar Nederlanders veel producten verbouwden. De kolonie Nieuw-Amsterdam was niet gericht op verbouw van producten, slechts op de handel. Men vond het in die tijd daarom gunstiger om Suriname in handen te hebben. Er werd daar ook bauxiet gevonden en van deze grondstof verwachtte men veel: men dacht een grondstof monopolie in handen te hebben. Dat bleek een misvatting: bauxiet bleek (voorlopig) nog niet goed bruikbaar en werd pas veel later een belangrijk exportproduct.

Literatuur

*G.W. van der Meiden, Betwist bestuur. De eerste bestuurlijke ruzies in Suriname, 1651-1753 (Amsterdam, 2008).
*John H. de Beye, Torarica, de oude hoofdstad van Suriname (Zutphen, 2017).
*F. Dikland, Zeeuwse archivalia uit Suriname en omliggende kwartieren 1667 – 1683 (2003).
*F. Oudschans Dentz, 'De herkomst en betekenis van Surinaamse plantagenamen', in: De West-Indische Gids 26/nr. 1 (1944) 147-180.
*F. Oudschans Dentz, 'De oorsprong van de naam Combé', in: De West-Indische Gids 31/1 (1949) 28–34.
*Tobias van Gent, et al., Zeeuwse zeehelden. Uit de zestiende en zeventiende eeuw (Vlissingen, 2012).

Noten

Bij deze context horen de volgende brieven: