Wat zoek je in de Digitale Collectie Zeeland?

Engelse kerk TE54587Zicht op de Engelse kerk te Middelburg vanaf het pleintje achter het stadhuis, tekening, ZB, Beeldbank Zeeland, recordnr. 54587 Inhoud brief 1
Provisioneel zaakwaarnemer Alexander Batij laat de weduwe van predikant Willem Span van de Engelse gemeente in Middelburg, Anna Meese op 13 september 1672 weten dat hij een wisselbrief op haar naam heeft uitgeschreven aan kapitein Pieter Heerentsen ter waarde van 270 gulden. Hij vraagt haar hem hiervoor niet te laten vallen, ‘Versoecke u edele mijn geen afront en laet toekomen’, omdat de schippers Soetelingh en Jan Andriessen beiden voor wel 7.000 pond suiker aan boord hebben en daardoor de prijs laag is geworden. Hij verzoekt haar de suiker door zijn zussen te laten verkopen. Hij zal nog een wisselbrief met kapitein Soetelingh meesturen ter waarde van 801 gulden, samen met een partij van 399 pond witte suiker, 18 stuks letterhout en een half oxhoofd en een vat limoensap. Ondanks de slechte berichten vraagt Batij of hij in dienst mag blijven bij Meese. Hij vertrouwd er op dat kapitein Soetelingh de situatie in Suriname uit zal leggen aan haar. De zesduizend gulden die hij in beheer heeft is nodig om het huishouden te draaien. Er zijn acht slaven die het huishouden runnen. Batij zegt zich de laatste tijd niet goed te voelen, waarschijnlijk veroorzaakt is door een zonnesteek, omdat hij op het heetst van de dag buiten aan de zon heeft bloot gestaan. Hij laat de groeten doen aan Christine Gruterus en laat aan neef Jacobus zeggen dat deze de ‘procuratie’ naar Suriname moet zenden en sluit af met neef. Span zal dus vermoedelijk de broer van de vader of moeder van Batij zijn geweest. In een p.s. onder deze brief vraagt Bateij aan Christine Gruterus of deze hem schoenen wil sturen en ook stoffen om kleding van te maken.

Biografische gegevens Alexander Bateij en Anna
Meese
Anna Meese wordt op 10 juni 1694 begraven in de Oude Kerk in Middelburg. Zij was op dat moment woonachtig aan de Londensekaai,[1]Of Willem Span, predikant van de Engelse gemeente in Middelburg, in Suriname stierf of dat dit een bekende was van Batij uit Middelburg en hij de weduwe aanschreef in verband met de lopende zaken is niet bekend. Het bijzonder aan zijn aanhef is dat hij haar aanschrijft als 'waerde moeije.'[2]

De positie van Suriname aan de vooravond van de Derde Engelse Oorlog
Kaart Basselier17de eeuwse kaart van Suriname met daarop zichtbaar de toenmalige hoofdstad Torarica in de bocht van de rivier De Derde Engelse Oorlog (1672-1674) eindigde met de Tweede Vrede van Westminster. Suriname was reeds in 1667 door Abraham Crijnssen veroverd op de Engelsen. Op hun beurt hadden de Engelsen Nieuw-Amsterdam in bezit genomen. In 1673 werd het weer op de Engelsen heroverd, maar in het vredesverdrag stond dat deze kolonie definitief aan de Engelsen werd overgedragen en de Nederlanders (Zeeuwen) behielden Suriname. De Engelsen hadden aan de monding van de Suriname-rivier het houten fort Willoughby gebouwd. Dit werd versterkt met kanonnen en bemand met soldaten. Thorarica was niet langer de hoofdstad, deze werd verplaatst naar de omgeving van het Fort Zeelandia en werd Nieuw Middelburg (later Paramaribo) genoemd. De stad was daardoor makkelijker te verdedigen en het had een gunstiger ligging voor de handel. Na 1667, het einde van de Tweede Engelse oorlog, moesten de Engelse bestuurders het land verlaten. Het land werd evenals de plantages geplunderd. Veel planters werden gedwongen om met hun slaven te vertrekken naar het nabij gelegen St. Kitts. Wie bleef diende een eed van onderwerping aan het Zeeuwse gezag af te leggen. Deed men dit, dan bleef men dezelfde rechten houden die er onder het Engelse bestuur golden. De meeste planters vertrokken en het was zodoende lastig om met een paar honderd mensen van Suriname een winstgevende kolonie te maken. Het resulteerde er in dat Zeeland Suriname in 1682 aan de WIC verkocht. De Nederlanders waren ten opzichte van Nieuw-Amsterdam meer gebrand op Suriname omdat men er voor het maken van maximale winst en een zo goed mogelijke handel meer mogelijkheden zag. In Suriname lagen grote plantages waar Nederlanders veel producten verbouwden. De kolonie Nieuw-Amsterdam was niet gericht op verbouw van producten, slechts op de handel. Men vond het in die tijd daarom gunstiger om Suriname in handen te hebben. Er werd daar ook bauxiet gevonden en van deze grondstof verwachtte men veel: men dacht een grondstof monopolie in handen te hebben. Dat bleek een misvatting: bauxiet bleek (voorlopig) nog niet goed bruikbaar en werd pas veel later een belangrijk exportproduct.

Literatuur
*G.W. van der Meiden, Betwist bestuur. De eerste bestuurlijke ruzies in Suriname, 1651-1753 (Amsterdam, 2008).
*John H. de Beye, Torarica, de oude hoofdstad van Suriname (Zutphen, 2017).
*F. Dikland, Zeeuwse archivalia uit Suriname en omliggende kwartieren 1667 – 1683 (2003).
*Tobias van Gent, et al., Zeeuwse zeehelden. Uit de zestiende en zeventiende eeuw (Vlissingen, 2012).
*Jan Marinus Linde, Surinaamse suikerheren en hun kerk: plantagekolonie en handelskerk ten tijde van Johannes Basseliers, predikant en planter in Suriname, 1667-1689 (Wageningen, 1966) passim.
*Suze Zijlstra, ‘Vrije en onvrije vrouwen in zeventiende-eeuws ‘Zeeuws’ Suriname’, in: Zeeland 25/3 (2016) 91-98]

Noten
[1] ZA, toegang 511, Rekenkamer D, inv.nr. 59501.
[2] Gijsbert Rutten en Marijke van der Wal, Letters as loot. A sociolinguistic approach to seventeenth- and eighteenth-century Dutch (Leiden, 2014) 309.


Bij deze context horen de volgende brieven: