Wat zoek je in de Digitale Collectie Zeeland?

Samenvatting inhoud brief
Na de gebruikelijke plichtpleging om naar de gezondheid te informeren,
zijn er enige vertrouwelijke opmerkingen betreffende oversturen van goederen.
Jan Dimmessen meldt in zijn brief van 12 januari 1671 er “geen hebben connen becomen”, waarvan dan de heer Willemsen-Verpoorten wel weet hoe dat komt, uit een eerder gestuurde brief.
Suriname Koffieplantage Marienbosch 1850 Willem de Klerk Rijksmuseum SK A 4087

Koffieplantage Marienbosch in Suriname, olieverfschilderij van Willem de Klerk, ca. 1850, collectie Rijksmuseum, Amsterdam.

Veder wordt vermeld dat hij een half oxhoofd wijn heeft ontvangen en daaruit een aantal glazen heeft gedronken op de gezondheid van de familie.
Dan volgt een cryptische opmerking over het cargazoen. Hij denkt dat het beter is niet veel klanten te zoeken om moeilijkheden te vermijden. Hoewel dit niet in de brief vermeld staat vervoerde Dimmissen namelijk slaven uit Angola. Hij beloofd zijn best ervoor te doen, alsmede voor een retourzending te zorgen en deze in goede banen te leiden.
Hij eindigt met de groeten aan mevrouw Verpoorten en wenst iedereen een gelukzalig nieuwjaar. Onderaan de brief kondigdt hij aan bij terugkeer in Zeeland, het grote bramzeil te voeren, als herkenning voor de wachtende familie.

De positie van Suriname aan de vooravond van de Derde Engelse Oorlog
De Derde Engelse Oorlog (1672-1674) eindigde met de Tweede Vrede van Westminster. Suriname was reeds in 1667 door Abraham Crijnssen veroverd op de Engelsen. Op hun beurt hadden de Engelsen Nieuw-Amsterdam in bezit genomen. In 1673 werd het weer op de Engelsen heroverd, maar in het vredesverdrag stond dat deze kolonie definitief aan de Engelsen werd overgedragen en de Nederlanders (Zeeuwen) behielden Suriname. De Engelsen hadden aan de monding van de Suriname-rivier het houten fort Willoughby gebouwd. Dit werd versterkt met kanonnen en bemand met soldaten. Thorarica was niet langer de hoofdstad, deze werd verplaatst naar de omgeving van het Fort Zeelandia en werd Nieuw Middelburg (later Paramaribo) genoemd. De stad was daardoor makkelijker te verdedigen en het had een gunstiger ligging voor de handel. Na 1667, het einde van de Tweede Engelse oorlog, moesten de Engelse bestuurders het land verlaten. Het land werd evenals de plantages geplunderd. Veel planters werden gedwongen om met hun slaven te vertrekken naar het nabij gelegen St. Kitts. Wie bleef diende een eed van onderwerping aan het Zeeuwse gezag af te leggen. Deed men dit, dan bleef men dezelfde rechten houden die er onder het Engelse bestuur golden. De meeste planters vertrokken en het was zodoende lastig om met een paar honderd mensen van Suriname een winstgevende kolonie te maken. Het resulteerde er in dat Zeeland Suriname in 1682 aan de WIC verkocht. De Nederlanders waren ten opzichte van Nieuw-Amsterdam meer gebrand op Suriname omdat men er voor het maken van maximale winst en een zo goed mogelijke handel meer mogelijkheden zag. In Suriname lagen grote plantages waar Nederlanders veel producten verbouwden. De kolonie Nieuw-Amsterdam was niet gericht op verbouw van producten, slechts op de handel. Men vond het in die tijd daarom gunstiger om Suriname in handen te hebben. Er werd daar ook bauxiet gevonden en van deze grondstof verwachtte men veel: men dacht een grondstof monopolie in handen te hebben. Dat bleek een misvatting: bauxiet bleek (voorlopig) nog niet goed bruikbaar en werd pas veel later een belangrijk exportproduct.

Literatuur
*G.W. van der Meiden, Betwist bestuur. De eerste bestuurlijke ruzies in Suriname, 1651-1753 (Amsterdam, 2008).

*John H. de Beye, Torarica, de oude hoofdstad van Suriname (Zutphen, 2017).
*F. Dikland, Zeeuwse archivalia uit Suriname en omliggende kwartieren 1667 – 1683 (2003).

*F. Oudschans Dentz, 'De herkomst en betekenis van Surinaamse plantagenamen', in: De West-Indische Gids 26/nr. 1 (1954) 147-180.

*Tobias van Gent, et al., Zeeuwse zeehelden. Uit de zestiende en zeventiende eeuw (Vlissingen, 2012).


Bij deze context horen de volgende brieven: