Wat zoek je in de Digitale Collectie Zeeland?

Samenvatting brief
Schipper Cornelis Berghe schrijft vanaf zijn schip Poelwijck dat op de Surinamerivier ligt een brief aan Paulus Di(e)rcksen in Vlissingen. Hij meldt hem eerst dat hij lang niet in de gelegenheid was om te schrijven. Hij was ziek, maar is nu weer beter.
Dan komt hij ter zake en meldt dat de ketels die hij heeft meegenomen van zeer goede kwaliteit zijn. Luitenant Augustijn Gabel heeft er een gekocht en hij is zeer enthousiast en vertelt het ook aan anderen. Die komen nu vragen wie die ketels maakt. Dircksen verwacht nog wel meer opdrachten voor het maken van ketels te zullen krijgen. Het zijn kennelijk ketels die gebruikt worden bij de fabricage van suiker uit suikerriet.
Dan vertelt hij dat zijn schip nu half geladen is en dat hij over een dag of 10, 12 hoopt te vetrekken naar Rio Essequebo. Daar verwacht hij nog goederen te kunnen laden. In Suriname is de spoeling kennelijk dun omdat er veel schepen voor anker liggen. Bovendien wordt de regentijd verwacht. Hij beveelt ieder in de hoede van God en neemt afscheid. Onderaan wenst hij Dircksen en zijn gezin, en ook ene Jacomientje, vanaf het schip Poelwijck een gelukkig Nieuwjaar.

Langs de Parakreek in Suriname lagen 54 plantages.[1]

Het adres van Paulus Derksen of Dirksen is niet bekend, maar omdat de naam van zijn huis is gegeven (de Groene Papijgae – de groene papegaai) nabij de Grote Markt valt toch ongeveer te bepalen waar dit ergens geweest moet zijn.[2] Dit huis stond op de hoek van de Hoogstraat (de tegenwoordige Breestraat 133) met de Bierkaai (het huidige Bellamypark). In de gevel bevond zich een gevelsteen met daarop een papegaai op een tak. Deze gevelsteen is thans in bezit van het MuZEEum. Ongeveer op de plaats waar dit huis stond staat tegenwoordig het politiebureau.

De positie van Suriname aan de vooravond van de Derde Engelse Oorlog
De Derde Engelse Oorlog (1672-1674) eindigde met de Tweede Vrede van Westminster. Suriname was reeds in 1667 door Abraham Crijnssen veroverd op de Engelsen. Op hun beurt hadden de Engelsen Nieuw-Amsterdam in bezit genomen. In 1673 werd het weer op de Engelsen heroverd, maar in het vredesverdrag stond dat deze kolonie definitief aan de Engelsen werd overgedragen en de Nederlanders (Zeeuwen) behielden Suriname. De Engelsen hadden aan de monding van de Suriname-rivier het houten fort Willoughby gebouwd. Dit werd versterkt met kanonnen en bemand met soldaten. Thorarica was niet langer de hoofdstad, deze werd verplaatst naar de omgeving van het Fort Zeelandia en werd Nieuw Middelburg (later Paramaribo) genoemd. De stad was daardoor makkelijker te verdedigen en het had een gunstiger ligging voor de handel. Na 1667, het einde van de Tweede Engelse oorlog, moesten de Engelse bestuurders het land verlaten. Het land werd evenals de plantages geplunderd. Veel planters werden gedwongen om met hun slaven te vertrekken naar het nabij gelegen St. Kitts. Wie bleef diende een eed van onderwerping aan het Zeeuwse gezag af te leggen. Deed men dit, dan bleef men dezelfde rechten houden die er onder het Engelse bestuur golden. De meeste planters vertrokken en het was zodoende lastig om met een paar honderd mensen van Suriname een winstgevende kolonie te maken. Het resulteerde er in dat Zeeland Suriname in 1682 aan de WIC verkocht. De Nederlanders waren ten opzichte van Nieuw-Amsterdam meer gebrand op Suriname omdat men er voor het maken van maximale winst en een zo goed mogelijke handel meer mogelijkheden zag. In Suriname lagen grote plantages waar Nederlanders veel producten verbouwden. De kolonie Nieuw-Amsterdam was niet gericht op verbouw van producten, slechts op de handel. Men vond het in die tijd daarom gunstiger om Suriname in handen te hebben. Er werd daar ook bauxiet gevonden en van deze grondstof verwachtte men veel: men dacht een grondstof monopolie in handen te hebben. Dat bleek een misvatting: bauxiet bleek (voorlopig) nog niet goed bruikbaar en werd pas veel later een belangrijk exportproduct.

Literatuur
*G.W. van der Meiden, Betwist bestuur. De eerste bestuurlijke ruzies in Suriname, 1651-1753 (Amsterdam, 2008).
*John H. de Beye, Torarica, de oude hoofdstad van Suriname (Zutphen, 2017).
*F. Dikland, Zeeuwse archivalia uit Suriname en omliggende kwartieren 1667 – 1683 (2003).
*F. Oudschans Dentz, 'De herkomst en betekenis van Surinaamse plantagenamen', in: De West-Indische Gids 26/nr. 1 (1954) 147-180.
*Tobias van Gent, et al., Zeeuwse zeehelden. Uit de zestiende en zeventiende eeuw (Vlissingen, 2012).

Noten
[1] site Surinameplantages
[2] Jan C. Bliek, Huisnamen en gevelstenen in Vlissingen, 16e-21e eeuw (Vlissingen, 2019) 54, 108.


Bij deze context horen de volgende brieven: