Wat zoek je in de Digitale Collectie Zeeland?

Inhoud brief
Jan Andriesen bericht zijn reder dat hij na een behoorlijk heftige reis op 1 januari 1672 behouden is aangekomen op de Surinamerivier. Iedereen is gezond. Er waren wel problemen: de passagiers waren ontevreden en er was niet genoeg water en bier. Daarover werd erg geklaagd. Hij moest door watertekort voortijdig beginnen aan de wijn en die is nu helemaal op en ook de victualie was door de duur erg geslonken en zuur geworden.
Er liggen veel schepen op de rivier te wachten en het zal best nog een tijdje duren voor hij aan de beurt is om geladen te worden met suiker.
Ook heeft hij van de gouverneur gehoord dat die tegen hem wil protesteren omdat er goederen uit zijn schip bedorven waren, maar daar is hij redelijk laconiek onder: ‘Doch den tijd die sal leren.’

Schipper Jan Andriesen is duidelijk iemand die schrijft zoals hij ook spreekt.  Regelmatig is aan de gehanteerde woorden te merken dat hij een Zeeuw is. Aan boord zal hij ook wel met afgepaste zinnen spreken: commando’s zijn kort en krachtig. Zo is het ook in de brief waarin hij vaak het woord “ik” weglaat.

De positie van Suriname aan de vooravond van de Derde Engelse Oorlog
De Derde Engelse Oorlog (1672-1674) eindigde met de Tweede Vrede van Westminster. Suriname was reeds in 1667 door Abraham Crijnssen veroverd op de Engelsen. Op hun beurt hadden de Engelsen Nieuw-Amsterdam in bezit genomen. In 1673 werd het weer op de Engelsen heroverd, maar in het vredesverdrag stond dat deze kolonie definitief aan de Engelsen werd overgedragen en de Nederlanders (Zeeuwen) behielden Suriname. De Engelsen hadden aan de monding van de Suriname-rivier het houten fort Willoughby gebouwd. Dit werd versterkt met kanonnen en bemand met soldaten. Thorarica was niet langer de hoofdstad, deze werd verplaatst naar de omgeving van het Fort Zeelandia en werd Nieuw Middelburg (later Paramaribo) genoemd. De stad was daardoor makkelijker te verdedigen en het had een gunstiger ligging voor de handel. Na 1667, het einde van de Tweede Engelse oorlog, moesten de Engelse bestuurders het land verlaten. Het land werd evenals de plantages geplunderd. Veel planters werden gedwongen om met hun slaven te vertrekken naar het nabij gelegen St. Kitts. Wie bleef diende een eed van onderwerping aan het Zeeuwse gezag af te leggen. Deed men dit, dan bleef men dezelfde rechten houden die er onder het Engelse bestuur golden. De meeste planters vertrokken en het was zodoende lastig om met een paar honderd mensen van Suriname een winstgevende kolonie te maken. Het resulteerde er in dat Zeeland Suriname in 1682 aan de WIC verkocht. De Nederlanders waren ten opzichte van Nieuw-Amsterdam meer gebrand op Suriname omdat men er voor het maken van maximale winst en een zo goed mogelijke handel meer mogelijkheden zag. In Suriname lagen grote plantages waar Nederlanders veel producten verbouwden. De kolonie Nieuw-Amsterdam was niet gericht op verbouw van producten, slechts op de handel. Men vond het in die tijd daarom gunstiger om Suriname in handen te hebben. Er werd daar ook bauxiet gevonden en van deze grondstof verwachtte men veel: men dacht een grondstof monopolie in handen te hebben. Dat bleek een misvatting: bauxiet bleek (voorlopig) nog niet goed bruikbaar en werd pas veel later een belangrijk exportproduct.

Bronnen

Literatuur
*G.W. van der Meiden, Betwist bestuur. De eerste bestuurlijke ruzies in Suriname, 1651-1753 (Amsterdam, 2008).
*John H. de Beye, Torarica, de oude hoofdstad van Suriname (Zutphen, 2017).
*F. Dikland, Zeeuwse archivalia uit Suriname en omliggende kwartieren 1667 – 1683 (2003).
*F. Oudschans Dentz, 'De herkomst en betekenis van Surinaamse plantagenamen', in: De West-Indische Gids 26/nr. 1 (1954) 147-180.
*Tobias van Gent, et al.,''Zeeuwse zeehelden. Uit de zestiende en zeventiende eeuw'' (Vlissingen, 2012).


Bij deze context horen de volgende brieven: