Wat zoek je in de Digitale Collectie Zeeland?

Inhoud brief
Jan Dimmessen schrijft op 9 januari 1672 vanaf zijn fregat de Seven Gebroeders aan de weduwe van zijn broer Jan Dimmessen, Maeijken Cornelissen nobel, die woont bij de Lappersbrug te Vlissingen. Ofschoon hij de dood van zijn broer pas heeft vernomen, gaat hij er vanuit dat Maeijken hiervan al op de hoogte is, hij adresseert haar immers als weduwe. Hij zegt dat hij haar een brief stuurt via kapitein Cornelis Bastiaensen. Zelf was hij op 21 december 1671 op de rivier bij Suriname gearriveerd. Daar had hij meteen van het overlijden van zijn in Suriname wonende broer Jacob Dimmesen gehoord, hetgeen hem zeer had getroffen. Deze was op 20 oktober overleden. Jan betreurde het zeer dat zijn reis zo lang had geduurd, omdat hij anders zijn broer wellicht nog bij leven had gezien of beter voor hem had kunnen zorgen dan nu gebeurd was. Hij voegt hier nog enkele woorden over de lotsbestemming van de mens aan toe en troost zijn vrouw met de woorden dat de mens zelf niet over zijn lot beschikt. De goederen die Dimmessen naliet heeft hij nog bij leven onder ewaring gesteld bij schipper Cornelis Bastiaensen en Johan an Rueven (de gouverneur van de WIC). Nog lopende schulden aan plantage-eigenaren zullen door Van Rueven worden ingevorderd. De zaken die nog open stonden tussen Bastiaensen en Dimmesse zullen door hemzelf worden afgehandeld. Er is geprobeerd de kleding van Dimmesse te verkopen, maar omdat er niemand contant kon betalen is die verkoop gestaakt. Nu worden ze met Bastiaensen meegestuurd, die zal afrekenen met de weduwe. Van Bastiaensen heeft Jan vernomen dat Jacob nog een half pond goud tegoed had die de schipper inmiddels in ontvangst genomen zou hebben. Jan laat weten dat dit haar toekomt en Bastiaensen dit bij thuiskomst aan haar moet overhandigen, evenals een snoer met bloedkoralen en een gouden snoertje. Jan laat verder weten dat hij als de weduwe dat wil de verdere zaken van Jacob behartigen kan. Hij laat de groeten overbrengen aan haar dochter Sara en wenst hen een zalig nieuwjaar en Gods bescherming.

Na de brief volgt de boedelinventaris van Jacob Dimmessen. Dat is in zijn geheel aan schipper Bastiaense meegegeven en aan de hand van de lijst kan Maeijken controleren of alles er is. Dat zal niet gelukt zijn want het schip van Bastiaense werd door de Engelsen buitgemaakt en opgebracht, met alle lading en papieren aan boord.

Bastiaensen was door Jacob Dimmensen verzocht diens nalatenschap te behartigen. Hij maakte de inventaris van zijn boedel op 23 oktober op in bijzijn van de getuigen Isaacq Drago en Samuel de Wit.
Dat niet elke zeventiende-eeuwer het hele jaar in dezelfde kleren liep blijkt uit de boedel van Dimmessen die over een ruime garderobe beschikte, al lijken het nogal warme kleren te zijn geweest voor de tropen. Zijn kleding bestond onder meer uit wol, sergiën, laken, zijde en grein. Hij bezat meerdere broeken, hemden, borstrokken, kousen, halsdoeken, ondergoed, beddengoed en tafellakens. Daarnaast had hij nog wat losse objecten als persoonlijke bezittingen, zoals een bultzak, een blikken doos, een leuren beurs die met goud gemerkt was met de initialen MN, een zilveren lepel, negen zilveren ducatons in specie en anderhalf pond koper (dus delfstoffen die als betaalmiddel dienst kon doen), een pels van een civetkat, bokkenhuiden, zilveren schoenengespen, een goudgewicht, diverse sieraden zoals bloedkralen en een gouden kralenketting, wat koperen potten en pannen enkele kilo’s suiker en een hangmat. Daarnaast bezat Dimmessen een haspel met kruis en stok. Dat zou kunnen duiden op het beroep van Dimmessen, die dit werktuig wellicht heeft gebruikt om land op te meten.

Het meest interessante uit de nalatenschap is evenwel de bibliotheek van Dimmissen, die daarnaast ook een journaal bijhield en dat van zijn overzeese reis al afgesloten had.

De boeken die in de nalatenschap van Jan Dimmessen voorkomen zijn vrijwel alle theologische werken. Het eerste betreft De schat-kamer des evangeliums geopent: ofte, ’t Heylige der Heyligen: ontdeckende de rijckdommen van genade en heerlickheydt in besondere predicatien voorgedragen. Dit boek werd in 1661 in Amsterdam gedrukt bij Tymon Houthaak en was van de hand van John Everard en uit het Engels vertaald (oorspronkelijke titel Some gospel treasures opened) door Johannes Grindal.

[Everard-Schatkamer.jpg]

Opmerkelijk is dat het niet alleen protestants-christelijke literatuur betreft. Zo bezit hij ook het door Platina van Cremona geschreven werk ’t Leeven der Roomsche pauzen, uitgegeven door Lodewijk Spillebout in Amsterdam in 1650. Dimmessen had in zijn persoonlijke bezittingen bijvoorbeeld ook een katholiek paternoster (een rozenkrans).
Andere werken die thans nog bestaan zijn: Georgius Cieglerus, Konst-spiegel der weereldlikke vermaken; vertoonende het wonderlik gewoel der kaizeren, koningen, vorsten en geleerde lieden ,om te koomen tot de bezittinge van het hoogste goed, … in Amsterdam uitgegeven in 1654 en herdrukt in 1663. En een werk van Cornelis van Niel, Den donder-slagh der goddeloosen, wegens het schrickelijck oordeel, en de pijne der hellen (Utrecht, 1660).
Onder de boeken zat één protestants-christelijke klassieker van de hand van Willem Teellinck,
Lust-hof der christelijcker gebeden, aen-wijsende hoe wy elcken dach onses levens christelijcken souden mogen toebrengen, voor het eerst gedrukt in Vlissingen bij Simon Claeys Versterre in 1635 en in 1672 alweer toe aan een dertiende druk.

 [Teellinck-Lusthof.jpg]

De boeken Oeffeninge der Godsaligheijt en Plagen des herten komen tegenwoordig niet meer voor in Nederlandse bibliotheken.

De familie Dimmesen
Zowel Jan als Jacob Dimmesen komen voor in het lidmatenboek van de Nederduits gereformeerde kerk in Vlissingen. Beiden doen daar op 28 maart 1662 belijdenis.
Zowel Jan als Jacob waren toen woonachtig aan de Nieuwe Haven in Vlissingen. Het is waarschijnlijk dat beiden toen nog thuis woonden. Dat was vermoedelijk aan de Wijbergschekaai tegenover de marinewerf.[1]

 

Er komen meerdere personen voor die Maeij(y)(c)ke(n) Cornelise heetten, maar de enige die qua leeftijd in aanmerking lijkt te komen is de Maeijken Cornelisen die op 8 maart 1631 in de Nederduits-gereformeerde kerk te Serooskerke (Walcheren) wordt gedoopt. Haar ouders waren Andries Cornelisen en Kathelijntje Cornelis en de getuige Andriesje Leunis.[2]

Jan zal gezien zijn belijdenis vrij snel tot kapitein zijn opgeklommen. Uit zijn brieven blijkt dat hij via Angola in Suriname is aangekomen. Daaruit blijkt vrijwel zeker dat hij schipper op een slavenschip is geweest en dit het fregat Seven Gebroeders is geweest.


Noten
[1] ZA, DTBL Vlissingen 23 (NG Lidmatenregister 1654-1672), K 483, folio 66 verso.
[2] ZA, toegang 995, Verzameling Doop-, Trouw-, Begraaf- en Lidmatenregisters Zeeland (DTBL), (1527) 1572-1810 (1866), SKW-1.