Wat zoek je in de Digitale Collectie Zeeland?

Samenvatting brief
William Pringell en Rogier Dickenson (vermoedelijk directeuren op de plantage Roobanck) schrijven op 1 december 1671 en begin januari daaropvolgend enige brieven aan hun vermoedelijke plantage-eigenaren in Middelburg, Gaspart Ingelsen en Daniël Fannius. Gezien hun achternaam behoren Pringell en Dickenson tot de groep Engelsen die na de overname van de kolonie in 1667 door Crijnssen zijn gebleven.
Beiden geven aan dat er grote behoefte is aan goederen, mondvoorraad en hulp op de Roobanck in Suriname.
Beiden hopen dat de brieven meegegeven met kapitein Daniël Thijssen zijn gearriveerd. Daarin stond dat ze 18.030 pond suiker met kapitein Cornelis Bastiaensen mee zouden geven, maar er is nog 2.023 pond aan toegevoegd zodat er 20.053 pond is verscheept met Bastiaensen. De vaten, brandewijnvaten, pijpen en oxhoofden zijn gemerkt met het monogram GxI, een verwijzing naar eigenaar Gaspart Ingelsen. Met kapitein Lourens Dubbeldemuts is nog eens een partij suiker van 13.506 pond meegegeven. Die vaten hebben het monogram TR. Gouverneur Pieter Versterre heeft de cognossementen getekend en zal deze versturen. Schipper Bastiaensen zou halverwege januari vertrekken. Met schipper Cornelis Berge van het schip Poelwijck is een partij van 6.517 pond suiker meegegeven. De gouverneur zal in hetzelfde schip nog eens 5.000 pond suiker verschepen als betaling voor vier slaven die zijn gekocht door Maerten Sems. Berge zal via Essequebo naar de Republiek zeilen.

William Pringell en Rogier Dickenson schrijven dat ze zitten wachten op de goederen uit het schip van kapitein Jan Andriessen. Ze zitten te springen om de eerder door hun bestelde levensmiddelen, onder andere stokvis, vlees, olie en linnen. De schepen hebben tot nog toe te weinig geleverd en het komt voor dat een schip lang ligt te wachten voor het ontscheept kan worden. Daardoor moeten bestaande voorraden aangesproken worden. Voorlopig wachten ze af of het schip met de verlangde goederen alsnog aankomt.

Twintig akkers grond zijn rijp gemaakt voor beplanting in het laatst van december. Indien mogelijk wordt er daarna over vier à vijf maanden geoogst en gemaald. Voor de afwikkeling van de schulden wordt op een opdracht van Ingelsen gewacht, want schuldenaars kloppen ongeduldig aan.

Een kuiper en een timmerman op de plantage zijn van groot belang en wordt op basis van de belofte van Pieter Jaspersen ook verwacht. Vóór de droge tijd aanbreekt moet de suiker gefabriceerd worden; er moeten dus snel vaten worden gemaakt. Een timmerman uit Suriname zelf kost te veel en kuipers zijn er slecht te vinden. Bovendien wordt een hoge prijs van wel vijftig pond suiker betaald voor een vat gemaakt van bomen. Weliswaar is er een slaaf op de plantage die kan kuipen, maar die krijgt het in zijn eentje niet voor elkaar de grote hoeveelheid benodigde vaten te fabriceren.
In januari blijkt de verwachte kuiper, Jan Hendriksen van Cuijlenburch gearriveerd met schipper Jacob Soetelinck die ook de verwachte goederen van Ingelsen en Fannius meebracht. Wel is de kuiper nog dezelfde maand ziek geworden. Met schipper Jan Andriessen, die begin januari arriveerde, werd een brief van Fannius en Ingelsen ontvangen. De goederen zijn nog niet gelost, maar het schip komt binnenkort voor de plantage liggen om te lossen.

De heren hadden een (veer)pontje en een timmerman verwacht. Dit bootje is hoogst noodzakelijk, omdat komend seizoen de grond zowel lángs de kant van de rivier bewerkt moet worden, als aan de overzijde daarvan. Daarnaast kunnen daarmee riet en brandhout naar de suikermolen vervoerd worden. Wat betreft de materialen voor de molen, kunnen zij pas akkoord geven, als ze deze aan land krijgen en gecontroleerd hebben. Indien een timmerman ingehuurd zou moeten worden voor het verplaatsen van de suiker in de droge tijd zou dat tweemaal zoveel kosten als een eigen timmerman. Reden waarom Dickenson en Pringell op orders wachten.

Beiden zeggen verder op de kosten van de plantage te zullen bezuinigen door voorlopig geen extra slaven aan te kopen. De secretaris Bolle heeft, volgens de Pringell en Dickenson en gouverneur Pieter Versterre, zonder order vier slaven geplaatst op de plantage, voor de som van achtduizend ponden suiker, afkomstig uit het schip van Cornelis Berge. Gouverneur Versterre noch Dickenson en Pringell weten er vanaf. Reden waarom ze aan de plantagedirecteuren vragen of die hiermee ingestemd hebben. Uit de brief blijkt dat beiden het vermoeden hebben hier te worden opgelicht.

Pringell en Dickenson hebben elfhonderd pond suiker betaald aan schipper Daniël Thijssen, voordat de laadbrief was opgemaakt. In de administratie van de plantage stond deze lading wél debet. De twee vaten witte suiker waarom de directeuren hebben gevraagd zal met het eerste schip (dat van Bastiaensen) worden meegezonden.

Op de plantage wordt een deel van zelfgemaakte siropen en kilduvel gegeven aan de slaven, vooral in de natte tijd. Wanneer de slaven van ’s morgens vroeg tot ’s avonds moeten werken in de regen, lopen ze grote kans ziek te worden, zeker als ze nu en dan geen brandewijn te drinken krijgen. Van de siroop wordt door hen mabij of kooldrank gemaakt, waarvan ze, volgens de schrijvers, vet en glad worden. Deze siropen en kilduvel worden ook verkocht om voedsel en materialen te verkrijgen voor de plantage zoals (indiaanse) peddels voor de kano’s, gezouten vis en landschildpadden. De kilduvel wordt voor tien pond suiker per stoop aan de naburige plantage verkocht. De kuiper is in staat om brandewijn te stoken en zou voordeel op kunnen leveren; goederen voor het distilleren hiervan zouden welkom zijn. Hiervoor zijn nodig: vijftig pond anijszaad, vijftig pond angelicawortels, zes bossen alsem, zes bossen ‘cardue benedictij’, drie pond kruidnagels, vier pond kaneel en een half oxhoofd jeneverbessen. Voorwaar een investering.

Daarnaast worden nog enkele andere spullen besteld: drie cassaveplanten, een pontje, een dubbel (muur)anker met dubbele zoldernagels, een anker met enkele zoldernagels, en een met kuipersspijkers. Klaarblijkelijk nodig voor de bouw van een huis of schuur. Verder plantagegereedschap zoals vijftig hakmessen en vijftig houwelen, drie tonnen vlees, twee tonnen spek, een anker met olijfolie (omdat het gezonden anker half leeggelopen was) en 200 el Osnabrücks linnen als kleding voor de slaven.

Met de toezegging van de juiste kwantiteit van de goederen en de gebruikelijke beleefdheden aan Gaspaert Ingelsen en Daniel Fannius, besluiten William Pringell en Rogier Dickenson hun brief.


Persoonlijke gegevens van Daniël Fannius en Gaspaert Ingelsen

Persoonlijke gegevens van William Pringell en Rogier Dickenson
Beide heren hebben een geoefend handschrift en schrijven zeer consequent. Dezelfde woorden worden doorgaans in identieke spelling weergegeven. De brief wemelt wel van de typische Zeeuwse uitspraken. Zo wordt de ij vaak al i gespeld (vif in plaats van vijf, en dadelick in plaats van dadelijk). Opvallend genoeg wordt daar waar de lange ij wordt gehanteerd deze voorafgegaan door een i (tiijd). Zeer herkenbaar is het schrijven van ‘and(t) voor hand. Onbekende woorden, zoals Essequebo, worden ook door hen foutief gespeld (Isekepe).

De positie van Suriname aan de vooravond van de Derde Engelse Oorlog
De Derde Engelse Oorlog (1672-1674) eindigde met de Tweede Vrede van Westminster. Suriname was reeds in 1667 door Abraham Crijnssen veroverd op de Engelsen. Op hun beurt hadden de Engelsen Nieuw-Amsterdam in bezit genomen. In 1673 werd het weer op de Engelsen heroverd, maar in het vredesverdrag stond dat deze kolonie definitief aan de Engelsen werd overgedragen en de Nederlanders (Zeeuwen) behielden Suriname. De Engelsen hadden aan de monding van de Suriname-rivier het houten fort Willoughby gebouwd. Dit werd versterkt met kanonnen en bemand met soldaten. Thorarica was niet langer de hoofdstad, deze werd verplaatst naar de omgeving van het Fort Zeelandia en werd Nieuw Middelburg (later Paramaribo) genoemd. De stad was daardoor makkelijker te verdedigen en het had een gunstiger ligging voor de handel. Na 1667, het einde van de Tweede Engelse oorlog, moesten de Engelse bestuurders het land verlaten. Het land werd evenals de plantages geplunderd. Veel planters werden gedwongen om met hun slaven te vertrekken naar het nabij gelegen St. Kitts. Wie bleef diende een eed van onderwerping aan het Zeeuwse gezag af te leggen. Deed men dit, dan bleef men dezelfde rechten houden die er onder het Engelse bestuur golden. De meeste planters vertrokken en het was zodoende lastig om met een paar honderd mensen van Suriname een winstgevende kolonie te maken. Het resulteerde er in dat Zeeland Suriname in 1682 aan de WIC verkocht. De Nederlanders waren ten opzichte van Nieuw-Amsterdam meer gebrand op Suriname omdat men er voor het maken van maximale winst en een zo goed mogelijke handel meer mogelijkheden zag. In Suriname lagen grote plantages waar Nederlanders veel producten verbouwden. De kolonie Nieuw-Amsterdam was niet gericht op verbouw van producten, slechts op de handel. Men vond het in die tijd daarom gunstiger om Suriname in handen te hebben. Er werd daar ook bauxiet gevonden en van deze grondstof verwachtte men veel: men dacht een grondstof monopolie in handen te hebben. Dat bleek een misvatting: bauxiet bleek (voorlopig) nog niet goed bruikbaar en werd pas veel later een belangrijk exportproduct.

Literatuur
*G.W. van der Meiden, ''Betwist bestuur. De eerste bestuurlijke ruzies in Suriname, 1651-1753'' (Amsterdam, 2008).
*John H. de Beye, ''Torarica, de oude hoofdstad van Suriname'' (Zutphen, 2017).
*F. Dikland, ''Zeeuwse archivalia uit Suriname en omliggende kwartieren 1667 – 1683'' (2003).
*F. Oudschans Dentz, 'De herkomst en betekenis van Surinaamse plantagenamen', in: ''De West-Indische Gids'' 26/nr. 1 (1954) 147-180.
*Tobias van Gent, et al.,''Zeeuwse zeehelden. Uit de zestiende en zeventiende eeuw'' (Vlissingen, 2012).
*Joop Vernooij, ’Godt niet meer Engels maer geheel Zeeuws. Jan Basseliers, kerk en slavernij’, in: ’’Zeeland’’ 14/1 (2005) 3-12.
*Stephen Fokké, ‘Het mysterie rond de verdwenen begraafplaatsen van Fort Zeelandia; voorlopige onderzoeksresultaten’, in: OSO. Tijdschrift voor Surinamistiek en het Caraïbisch gebied 35/1+2 (2016) 54-70.
*Harold Sijlbing, ‘Jodensavanne, het Jeruzalem aan de rivier; een betwist erfgoed’, in: OSO. Tijdschrift voor Surinamistiek en het Caraïbisch gebied 35/1+2 (2016).