Wat zoek je in de Digitale Collectie Zeeland?

Inhoud brief

Jan de Clercq schrijft op 11 januari 1672, kort na zijn aankomst in Suriname aan kruidenier Johan van Roosbeke. Hij arriveerde tien dagen na kapitein Soeteling en die vertraging veroorzaakte grote bezorgdheid ter plaatse. Er had een groot onweer geheerst en er werd gevreesd dat het schip vergaan was. In werkelijkheid had hij gedurende de gehele reis van tien weken en drie dagen mooi weer gehad. Wel was het water onderweg gerantsoeneerd, zodat de laatste tien dagen met een rantsoen van een pint per dag moest worden toegekomen en er tweemaal daags gort werd gedeeld om gebruik van water te voorkomen. Sommigen hadden zelfs in plaats van water een rantsoen van een pint wijn moeten drinken, hetgeen ze niet gewend waren waardoor in combinatie met de hitte meerdere mensen waarschijnlijk dronken werden. Uit twee andere brieven van De Clercq blijkt dat hij met het schip Aerdenburgh in Suriname is gearriveerd.[1]

Jan de Clercq heeft nog weinig tijd gehad om rond te kijken op de plantage van Johan z’n vader, maar vind het landschap erg mooi. Wel heeft plantagedirecteur Pieter van Lanckum grote problemen met Lieven de Wener en die informatie heeft Clercq zelf gehoord uit de mond van Pieter. Hij verwacht dan ook niet dat Van Lanckum De Wener in dienst zal nemen. Alles goederen zijn schaars geworden in Suriname, dus hij verwacht het cargazoen met flinke winst te kunnen verkopen. De betaling zal wel met suiker kunnen plaatsvinden, waarvan grote hoeveelheden geoogst zijn. Hij eindigt met een nieuwjaarswens.

Johannis van Roosbeke

Jan de Clercq

Suriname in het derde kwart van de zeventiende eeuw

Literatuur

Noten

  1. Brief van Jan de Clercq aan Pieter de Clercq, dokter in de medicijnen te Middelburg, 9 januari 1672 en brief aan Johannis Berckman, chirurgijn in Middelburg, 9 januari 1672








Bij deze context horen de volgende brieven: