Wat zoek je in de Digitale Collectie Zeeland?

Inhoud brief

Bricx verstuurde op 29 juni 1780 een duplicaatbrief aan Daniël Stephen Schorer. Deze zal het origineel waarschijnlijk ontvangen hebben. Waarschijnlijk is het duplicaat veel later verzonden, want pas in februari 1781 arriveerden de Engelse strijdkrachten in Demerary. Abraham Bricx meldt Schorer dat hij zijn brief van 31 maart 1780 in goede orde heeft ontvangen (die moet er dus minder dan drie maanden over gedaan hebben de bestemming te bereiken). Daarbij had hij de rekening ontvangen evenals het cognossement van twee vaten. Die bevatten vis en aardappelen. De vis was goed, maar de aardappelen waren rot geweest. Waarschijnlijk omdat ze bevroren waren verscheept. Bricx beloofd een wissel te sturen voor de achttien gulden die Schorer van hem tegoed heeft en daar tevens het geld van een rekening van 30 juli 1779 bij te doen.

Daniël Stephen Schorer

Schorer, telg uit een Zeeuws regentengeslacht werd in 1737 geboren. Tussen 1768 en 1789 was Schorer voortdurend schepen en raadslid van Middelburg (de functie van Schepen kon slechts twee jaar achtereen worden vervuld). In 1775 bekleedde hij ook de functie van thesaurier. Hij was in 1779 bewindhebber van de VOC en lid van het Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen.[1] Uit de correspondentie met Antonius Pietersen[2] blijkt Schorer plantage eigenaar te zijn geweest, maar onduidelijk is van welke plantage aan de Rio Essequebo. Hij bezat in ieder geval vanaf 1775 voor fl. 3.000,- aan aandelen in de koffie- en katoenplantage ‘’Vrees en hoop’’ aan de westkust van de Rio Demerary. Na zijn dood ging de administratie hiervan over aan de firma Turing & Co.[3] Daniël Steven Schorer bewoonde, net als diens vader, het huis de Dry Clavers in de Vlissingsestraat te Middelburg. Daar hingen onder meer schilderijen van Bruegel en Rubens. Ook verzamelde hij blaas- en strijkinstrumenten. Hij bezat bijvoorbeeld 17de-eeuwse violen uit Cremona. Schorer overleed in 1790.[4]

Abraham Bricx

Essequebo tijdens de Vierde Engelse Oorlog

De kapiteins Cornelis Loeff en Rochus van Swyndregt (schippers op de MCC-schepen Watergeus en Planterslust) verklaarden voor de Middelbrugse notaris Andreas Schouten dat zij op 27 februari 1781 met hun eigen en enige andere schepen voor anker lagen in de rivier de Essequibo. Die dag bracht een Spaans schip het bericht van de oorlog en dat al enkele Nederlandse schepen waren buitgemaakt door Engelse kaperschepen. Loeff begaf zich naar de wal om gouverneur Trotz te spreken. Deze brak het onderhoud af, waarop Loeff en de andere zes kapiteins besloten hun schepen onder de bescherming van het fort voor anker te laten liggen. Daar wachtten ze op orders van Trotz om hun schepen gevechtsklaar te maken. Een door Trotz naar Demerary gestuurde verkenningseenheid keerde spoedig terug met de mededeling dat Demerary al in Engelse handen gevallen was. Loeff wilde zijn schip verdedigen en beloofde 10.000 gulden. De bemanning wilde weten of dit geld van de MCC of van de WIC kwam en toen Trotz meedeelde dat de kapiteins zich bij onverhoopt attaque van den vijand hebben te ruguleeren naar de manoeuvres van het forteresse was het hen en Loeff duidelijk dat zij geen steun kregen. Loeff wilde de rivier op zeilen in de hoop dat de Engelsen hem daar niet zouden volgen of vinden. Trotz hield zijn vertrek echter tegen en op 3 maart verscheen een kleine Engelse vloot voor het fort. Na een kort overleg liet Trotz de vlag strijken. Op de Nederlandse schepen werd dit, volgens instructie, ook gedaan. Zonder overleg gaf Trotz de zeven Nederlandse schepen over aan de Engelsen. Wel was er nog even verwarring omdat de soldaten van het fort weigerden te dienen onder Engelse vlag en onder de uitroep vlag neer, dienst neer hun geweren wegwierpen. Zij wilden pas weer in dienst als de Nederlandse vlag gehesen werd, waarin Trotz toestemde, waarna opnieuw de Nederlandse vlag omhoog ging ofschoon de kolonie al door de Engelsen bezet was. De soldaten mochten daarna met militaire eer het fort verlaten.[5]

Literatuur

Noten

  1. Verhandelingen van het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen (1779) VI en Archief (1902) 66
  2. Brief van Antonius Pietersen, 12 augustus 1780
  3. Archief (1902) 150
  4. Zeeland 26/3 (2017) 108. en Zeeland 3/2(1994) 67
  5. A. Wisse, 'De overgave van Demerary en Essequibo in 1781', in: Historia 8 (1942) 191-192.






Bij deze context horen de volgende brieven: