Wat zoek je in de Digitale Collectie Zeeland?

Inhoud brief

Hoewel er geen plaatsnaam bekend is kan op basis van andere brieven uit deze buitgemaakte postzak worden afgeleid dat de afzender vanuit Rio Essequebo heeft geschreven. Willebordus schreef zijn brief ruim vier maanden voor de inname van de kolonie door de Engelsen. De brief heeft dus lang op een vertrekkend schip gewacht. In de brief, die de 25ste werd verstuurd wordt gemeld dat op 15 september 1780 de broer van Willebordus Ra[der]mackers is gearriveerd in de kolonie. Die nam een brief van de heer Joose mee over een testament met een aandeel van zesduizend gulden. Ra[der]mackers verbaasd zich erover dat dit zo lang geduurd heeft. Hij zegt tegen Schorer het geld uit het testament te zullen gebruiken om in zijn plantage te investeren in slaven en het andere deel in zijn kinderen. Met het oog op deze kwestie zal het nodig zijn dat zijn broer spoedig alweer teruggeroepen zal worden naar de Republiek om daar de zaken te behartigen. Ra[der]mackers beveelt de heer Boddaert aan bij Schorer om diens zaken te laten behartigen

Daniël Stephen Schorer

Schorer, telg uit een Zeeuws regentengeslacht werd in 1737 geboren. Tussen 1768 en 1789 was Schorer voortdurend schepen en raadslid van Middelburg (de functie van Schepen kon slechts twee jaar achtereen worden vervuld). In 1775 bekleedde hij ook de functie van thesaurier. Hij was in 1779 bewindhebber van de VOC en lid van het Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen.[1] Uit de correspondentie met Antonius Pietersen[2] blijkt Schorer plantage eigenaar te zijn geweest, maar onduidelijk is van welke plantage aan de Rio Essequebo. Hij bezat in ieder geval vanaf 1775 voor fl. 3.000,- aan aandelen in de koffie- en katoenplantage ‘’Vrees en hoop’’ aan de westkust van de Rio Demerary. Na zijn dood ging de administratie hiervan over aan de firma Turing & Co.[3] Daniël Steven Schorer bewoonde, net als diens vader, het huis de Dry Clavers in de Vlissingsestraat te Middelburg. Daar hingen onder meer schilderijen van Bruegel en Rubens. Ook verzamelde hij blaas- en strijkinstrumenten. Hij bezat bijvoorbeeld 17de-eeuwse violen uit Cremona. Schorer overleed in 1790.[4]

Willebord Ra[d]e[r]macker

Essequebo tijdens de Vierde Engelse Oorlog

De kapiteins Cornelis Loeff en Rochus van Swyndregt (schippers op de MCC-schepen Watergeus en Planterslust) verklaarden voor de Middelbrugse notaris Andreas Schouten dat zij op 27 februari 1781 met hun eigen en enige andere schepen voor anker lagen in de rivier de Essequibo. Die dag bracht een Spaans schip het bericht van de oorlog en dat al enkele Nederlandse schepen waren buitgemaakt door Engelse kaperschepen. Loeff begaf zich naar de wal om gouverneur Trotz te spreken. Deze brak het onderhoud af, waarop Loeff en de andere zes kapiteins besloten hun schepen onder de bescherming van het fort voor anker te laten liggen. Daar wachtten ze op orders van Trotz om hun schepen gevechtsklaar te maken. Een door Trotz naar Demerary gestuurde verkenningseenheid keerde spoedig terug met de mededeling dat Demerary al in Engelse handen gevallen was. Loeff wilde zijn schip verdedigen en beloofde 10.000 gulden. De bemanning wilde weten of dit geld van de MCC of van de WIC kwam en toen Trotz meedeelde dat de kapiteins zich bij onverhoopt attaque van den vijand hebben te ruguleeren naar de manoeuvres van het forteresse was het hen en Loeff duidelijk dat zij geen steun kregen. Loeff wilde de rivier op zeilen in de hoop dat de Engelsen hem daar niet zouden volgen of vinden. Trotz hield zijn vertrek echter tegen en op 3 maart verscheen een kleine Engelse vloot voor het fort. Na een kort overleg liet Trotz de vlag strijken. Op de Nederlandse schepen werd dit, volgens instructie, ook gedaan. Zonder overleg gaf Trotz de zeven Nederlandse schepen over aan de Engelsen. Wel was er nog even verwarring omdat de soldaten van het fort weigerden te dienen onder Engelse vlag en onder de uitroep vlag neer, dienst neer hun geweren wegwierpen. Zij wilden pas weer in dienst als de Nederlandse vlag gehesen werd, waarin Trotz toestemde, waarna opnieuw de Nederlandse vlag omhoog ging ofschoon de kolonie al door de Engelsen bezet was. De soldaten mochten daarna met militaire eer het fort verlaten.[5]

Literatuur

Noten

  1. Verhandelingen van het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen (1779) VI en Archief (1902) 66
  2. Brief van Antonius Pietersen, 12 augustus 1780
  3. Archief (1902) 150
  4. Zeeland 26/3 (2017) 108. en Zeeland 3/2(1994) 67
  5. A. Wisse, 'De overgave van Demerary en Essequibo in 1781', in: Historia 8 (1942) 191-192.






Bij deze context horen de volgende brieven: