Wat zoek je in de Digitale Collectie Zeeland?

Inhoud brief

VOC-dienaar Jacob Eilbracht (zie ook brief aan Ingels van 18 november 1780), schrijft op zowel 18 november 1780 als 18 januari 1781 een brief aan Jacob Mounier aan Middelburg, die hij op hetzelfde papier neerpent. Eilbracht lijkt voor Mounier diensten te verrichten; maar om welke producten het gaat en hoe de exacte relatie is blijft onduidelijk. Op 18 november 1780 laat Eilbracht aan Mounier weten van plaats verander te zijn (het zou kunnen dat hij van Cassimbazar kwam). Hij meld zijn brief van 20 november 1779 recent ontvangen te hebben en hij heeft daarom een bedrag van fl. 3673,10 op schipper Joachim Bank van het schip Popkensburg kunnen innen voor zowel zichzelf als de heer Thatt (die op dat moment afwezig is). Hij wil deze som in januari overmaken aan Mounier. Op 18 januari meldt Eilbracht plots naar Batavia te moeten vertrekken (Mijne apparente verandering van plaats en lucht verplichten mij) en daardoor niet meer in de gelegenheid te zullen zijn de geldsom voor Mounier te kunnen innen. Na zijn retour uit Batavia hoopt hij dat alsnog te kunnen doen, maar voor de zekerheid stelt hij Mounier vast op de hoogte van de vertraging van de transactie.

Ondanks de zeer moderne en ambtelijke taal en schrijfstijl van Eilbracht maakt hij een opmerkelijke schrijffout door Hougly zowel als 'Hoegli' en 'Hoeglij' weer te geven.

Het vervoer van de brief

Het schip waarmee de brieven werden vervoerd was de Dankbaarheid van VOC-kamer Rotterdam onder bevel van Hendrik Steedsel. Het schip was op 20 januari 1781 vertrokken uit Bengalen en op 25 april bij Kaap de Goede Hoop gearriveerd. Na een verblijf van drie weken vertrok het schip hier op 13 mei. Ten slotte werd het op 21 juli 1781 door de Engelsen veroverd in de Saldanha baai, ongeveer 80 mijl noordelijk van Kaap de Goede Hoop (zie alinea Slag om Saldanhabaai).[1] Een jaar later zou het met man en muis vergaan.

Jacob Mounier

Jacob Eilbracht

Jacob Eilbracht werd op 4 juni 1738 geboren te Amsterdam en overleed waarschijnlijk op 20 april 1804 te Amersfoort.[2] Volgens andere bronnen overleed hij te Peleacatte, Coromandel in Bengalen.[3] Zijn ouders waren Casparus Eilbracht en Anna Geel. Hij trouwde op 29 maart 1761 met Johanna Maria Immens (1745-1770). Er bestaat een foto van een schilderij waarop hij werd afgebeeld.[4] Hij lijkt drie maal getrouwd te zijn: met de al eerder genoemde Johanna Maria Immens; met Sara Antonia de Goede en als laatste met Cornelia Hillegonada Blo(e)m. Hij kreeg twee dochters: Antonia Maria en Johanna Bernardina en een zoon, Joan Philip, die geboren werd in Chinsura in 1768 en in 1831 overleed in Batavia.[5] Jacob Eilbracht was in 1758 gezworen klerk der Bengaalsche Sekretarije[6]. Zijn naam komt ook voor bij een conflict tussen hem als onderkoopman in Hougly enerzijds en directeur Roos en fiscaal Von Danckelmann anderzijds. Er werden beschuldigingen tegen hem ingebracht over frauduleuze handelingen met goederen van een verongelukt VOC-schip.[7] In 1779 werd hij genoemd als opperkoopman en gezaghebber en vanaf 1792 'buiten dirigerend lid van het Genootschap der Kunsten en Wetenschappen.'[8] Hij was van 1790 tot 20 oktober 1795 gezaghebber in Coromandel en Provinciaal Grootmeester van de Bezittingen in het westelijk deel van Azie.

De VOC in Bengalen

De VOC had tussen 1627 en 1795 een aantal handelsposten in het huidige Bangladesh en de tegenwoordige Indiase staat West-Bengalen. Het handelsgebied strekte zich voornamelijk uit langs de rivier de Ganges. Deze handelsposten hadden ook wel de naam 'kantoren.' Het gebied Bengalen kreeg in 1655 de status van directoraat met een eigen bestuur en directeur met een kantoor in Hougly, genoemd naar een van de rivieren in de Gangesdelta, zo'n 40 km ten noorden van Calcutta. De goederen die vandaar naar de Republiek gingen moesten eerst naar Batavia, maar in 1734 werd Hougly na Batavia en Ceylon de derde handelspost met een rechtstreekse verbinding met de Republiek. Vooral omdat de goederen die daar vandaan kwamen dermate kostbaar waren dat de Heeren XVII het beter achtten ze niet langer via Batavia te sturen. Goederen die naar de Republiek gingen waren onder meer: katoen, gember, hennep en zijde, dat vooral bestemd was voor Batavia en Japan en suiker, bestemd voor Perzie. Van Houghly is bekend dat de eerste handelspost in 1656 door een stormvloed werd weggespoeld. Het werd weer opgebouwd, aanvankelijk onder de naam Chinsura, later heette het Hougly en werd ook een handelspost bij Chinsura opgezet. De post Hougly werd in 1687 ommuurd en in de jaren '40 van de 18de eeuw werd de vesting versterkt met vier hoekbastions. Het geheel kreeg een rechthoekig grondplan. Hendrik van Schuijlenburgh schilderde de vesting in 1665 op bestelling van de directeur van de handelsloge Hougly, Pieter Sterthenius.[9] In 1759 werd de invloed van de Engelsen kennelijk te groot en daarom besloot gouverneur Jacob Mossel tot een militaire actie. Hij meende daarvoor 4.000 man nodig te hebben, maar met veel pijn en moeite kon hij 910 militairen op de been brengen. Hoewel Adriaan Bisdom, directeur van Bengalen, de actie wilde afblazen, werd deze doorgezet. De Engelsen waren van een en ander al op de hoogte en konden meteen weerstand bieden. De Nederlanders incasseerden een nederlaag. In 1759 kwam er een overeenkomst tussen de VOC en de Engelse EIC (East Indian Company) om het aantal soldaten daar drastisch te verminderen. Na 1770 was de grootste bloei van Bengalen voorbij.[10]

De Slag om Saldanhabaai (1781)

De Slag om Baai Saldanhabaai ( 21 juli 1781) was een maritieme actie even buiten de Nederlandse Kaap De Goede Hoop kolonie. Een squadron Engelse marineschepen onder commando van commodore George Johnstone nam vijf Nederlandse VOC schepen in beslag en een zesde werd vernietigd. Er waren weinig tot geen Nederlandse slachtoffers en aan Engelse zijde zelfs geen één.

Johnstone had de opdracht om de Nederlandse nederzetting Kaap De Goede Hoop te veroveren. Frankrijk kwam echter achter de plannen van deze missie en stuurde admiraal Bailli de Suffren, die de missie dwarsboomde. Op 16 april 1781 ontmoetten beide vloten elkaar bij de Kaapverdische Eilanden, wat resulteerde in de slag om Porto Praya.

Suffren zeilde naar Kaap De Goede Hoop, terwijl Johnstone in Porto Praya bleef voor herstelwerkzaamheden. Het resultaat was dat Johnstone op een zeer goed verdedigde kolonie stuitte toen hij daar in juli aankwam en besloot om niet aan te vallen. Uit voorzorg hadden de Nederlanders hun vloot, beladen met goederen, westwaarts gestuurd om in Saldana Bay voor anker te gaan. Ze hadden orders om in geval dat de Britten zouden opdagen, hun schepen in brand te steken en te doen zinken. Helaas waren ze niet erg waakzaam. Een van Johnstone’s fregatten, die de Franse driekleur voerde, onderschepte een Nederlandse koopvaarder, die de baai een dag tevoren had verlaten, richting het Oosten. Dit schip was De Held Woltenmade onder kapitein Vrolijk. Hierdoor wist Johnstone waar de Nederlandse vloot zich ophield.

Bij Saldana Bay aangekomen kreeg Johnstone de Nederlandse vloot in het vizier en voer de baai binnen, terwijl hij de Franse vlag voerde. Toen hij de Britse vlag hees, opende hij het vuur en verraste daarbij de Nederlanders compleet. De Nederlanders konden niet ontsnappen en besloten hun schepen te vernietigen, liever dan ze in Engelse handen te laten vallen. Daarom kapten ze de ankertouwen, verwijderden hun topzeilen en probeerden hun schepen te laten stranden. Toen dit was gedaan, trachtten ze hun schepen in brand te steken. De Britten probeerden de vuren te blussen, hetgeen lukte, en de schepen De Dankbaarheid,Parel, Honkoop en Hoogkarspel werden in beslag genomen. Het schip De Middelburg brandde te hevig en explodeerde.[11]

De Britten stuurden de in beslag genomen schepen door naar Engeland. Slechts twee bereikten hun bestemming. Een Frans fregat viel de Hoogkarspel aan, maar deze wist te ontsnappen naar Mount’s Bay, vanwaar ze verder naar Engeland werd begeleid. Ook de Parel werd door twee Franse schepen aangevallen, maar ook zij wist te ontsnappen. De Dankbaarheid en de Honkoop gingen verloren. Het is niet duidelijk of dit het gevolg was van vijandelijkheden of van de grillen van de zee. De brieven afkomstig uit de Dankbaarheid zijn met een Brits schip meegenomen naar Engeland.

De Britten hadden de Dankbaarheid en de Honkoop verzekerd, zodat ze ondanks het verlies van beide schepen toch hun voordeel haalden uit het verzekeringsgeld.

Literatuur

Noten

  1. J.R. Bruijn, F.S. Gaastra en I. Schöffer, Dutch-Asiatic Shipping in the 17th and 18th centuries, Volume III, Homeward-bound voyages from Asia and the Cape to the Netherlands (1597-1795) (Den Haag, 1979) 626 en VOC site-schepen
  2. Genealogie online
  3. VOC-site
  4. My Heritage en ook bij Geneanet en E. Driessen's Family Tree
  5. Nationaal Archief, 1.04.17 Hoge Regering Batavia, Voorlopige inventaris van de archivalia afkomstig van de Hoge Regering te Batavia 1602 - 1827.
  6. Jaarboeken van het Koningrijk der Nederlanden deel 1.
  7. Nationaal Archief, 1.04.17 Hoge Regering Batavia, toegang 30, Tanap databases.
  8. Verhandelingen van het Bataviaansch Genootschap der Kunsten en Wetenschappen, deel 6
  9. Rijksmuseum Amsterdam, SK-A-4282 Dit schilderij heeft jarenlang in het VOC-kantoor in Middelburg gehangen.
  10. VOC-site
  11. De schepen die buitgemaakt werden: De Dankbaarheid onder kapitein Steedsel, Parel onder kapitein Plockker, Honkoop onder kapitein Land, Hoogkarspel onder kapitein Harmeyer, De Held Woltenmade onder kapitein Vrolijk, De Middelburg onder kapitein van Gennip.






Bij deze context horen de volgende brieven: