Wat zoek je in de Digitale Collectie Zeeland?

Inhoud brief

Op 31 januari 1692 ging er een schrijven uit van de Admiraliteit Zeeland aan het High Court of Admiralty in Londen. Dit betrof een prijszaak omtrent een gekaapt fluitschip, genaamd de Gideon. De brief was geschreven door Johan Steengracht, secretaris voor de Admiraliteit Zeeland, en gericht aan sir Robert Hodges, rechter van het High Court of Admiralty, in Londen. De Gideon was door kaperkapitein Pieter Valckenrijk veroverd. Deze voer met een commissiebrief van Willem III, stadhouder van de Republiek en koning van Groot-Brittannië, waarmee de Republiek sinds november 1688 een alliantie had. De Gideon was geëquipeerd en bemand in Amsterdam, en het lag in het voornemen om onder een schipper van Glückstadt, Carel Beuckelman, met een Deense zeebrief te zeilen naar Sint-Sebastiaan (Spanje). Het schip vervoerde echter wijn vanuit Bordeaux 'voor rekening van de koning van Frankrijk.' Dat was niet overeenkomstig de vrachtbrieven en volgens Valckenrijck was het schip zelfs nooit in Denemarken geweest. Na de inbeslagname gaf Kapitein Valckenrijk een kopie van zijn comissiebrief aan de prijsmeester op de Gideon mee en enkele verdere details, om het schip officieel als prijs te laten registreren in Zeeland. Echter, de Gideon werd door twee Engelse schepen onderschept, onder de kapiteins Young en Martins, en gebracht naar Dover, Engeland. Aldaar werd de scheepslading ontvreemd, en de bemanning schandalig behandeld. De Engelsen wilden met name de bemanning dwingen, om toe te geven dat zijzelf op Frankrijk handel dreven. Tevens werd de bemanning vele dagen in hechtenis gehouden. Het is daarom begrijpelijk dat de Admiraliteit van Zeeland (waaronder de kaperkapitein Pieter Valckenrijk ressorteerde) om teruggave van het prijsschip, wat illegaal door twee Engelse schepen was gekaapt, en de prijspapieren verzocht.

De alliantie tussen Groot-Brittannië en de Republiek in 1688

Met de 'glorieuze revolutie' had Willem III in november 1688 zijn schoonvader Jacobus II van de Engelse troon gestoten. Daarmee ontstond een alliantie tussen Groot-Brittannië en de Republiek. Dat betekende dat in de onmiddellijk daarop volgende oorlog tegen Frankrijk dat beide landen gezamenlijk optrokken en van elkaars havens gebruik mochten maken. Het is daarom niet niet verwonderlijk dat de Admiraliteit van Zeeland (waaronder de kaperkapitein Pieter Valckenrijk ressorteerde) om vrijlating van het prijsschip van de Zeeuwse kaperkapitein vroeg. Dit was hem immers afgepakt door twee Engelse collega kapiteins. Johan Steengracht (1633-1705) was secretaris voor de Admiraliteit Zeeland. Hij kreeg zijn aanstelling op 16 september 1656 en bleef bijna vijftig jaar zitting houden tot hij overleed op 30 januari 1705.[1]

Anthonie Hoffer behoorde tot de vroedschap van Zierikzee en was in de jaren 1672, 1674 en 1677 burgemeester van de stad. Hij was tevens gecommitteerde voor de Staten van Zeeland van 1677-1697 en daarmee ook gecommitteerde van de Admiraliteit Zeeland, in ieder geval gedurende de jaren 1688-1696.[2]

Kaperkapitein Pieter Valckenrijk en zijn ‘Deense’ prijsschip

De prijsbemanning die Valckenrijck op de Gideon overzette bestond in zijn geheel uit Vlissingers, ofschoon niemand daar vandaan kwam. Met negen man was dit een relatief grote groep die bestond uit een schipper (de prijsmeester), stuurman, kwartiermeester, zeilmaker en vijf matrozen. Young had het schip aangevallen en het volck van capitein Valckenrijck seer barbaris had getracteert onder voorgeven dat zij Duijnkerkers waren. Daarbij werd de prijsbemanning met houwers en pistolen de hut in gedreven en schipper Jacob Adriaanse Mol de kajuit ingeduwd waar hij met een houwer door de hoed op het hoofd werd geslagen en daarna met zijn neusdoek en een stuk hout dusdanig de keel werd gewurgd dat hij een valse bekentenis aflegde. Young zou de zaak uiteindelijk tot voor de admiraliteitsraad uitvechten en beweren dat hij ook jacht op het schip had gemaakt. Het High Court of Admiralty stelde Valckenrijck echter in het gelijk. Daarbij zal wellicht meegespeeld hebben dat Young al enige tijd geen onbesproken blad meer was en er meer klachten over zijn handelwijze waren binnengekomen bij het High Court of Admiralty.[3] Het fluitschip Gideon werd uiteindelijk op 16 september 1692 te Vlissingen opgebracht en door vendumeester Isaac Hurgronje verkocht. Aan boord bevonden zich 270 vaten brandewijn en wijn die fl. 37.050,10 opbracht.[4]

Dagtekening brief

Op de brief staat een op het oog tegenstrijdige datum. Deze werd geschreven vanuit Middelburg op 31 januari 1692 en ontvangen in Engeland op 7 maart 1691. Engeland hanteerde in die tijd echter een andere tijdrekening dan de Republiek. Er werd gebruik gemaakt van Maria Boodschap (25 april) als start van het nieuwe jaar. Daardoor lopen de eerste vier maanden van het jaar niet gelijk op met de Gregoriaanse kalender. Ook de dagen liepen niet gelijk op omdat Engeland de Juliaanse kalender tot 1752 bleef hanteren, waardoor hun kalender in de 17de eeuw tien dagen achter liep op die in de Republiek. De datum van 7 maart 1691 Engelse tijdrekening is daarom 17 maart 1792 volgens de Nederlandse tijdrekening.

Literatuur

Noten

  1. Nagtglas, Levensberichten van Zeeuwen, dl. II, 695.
  2. Francke, Utiliteyt voor de gemeene saake, deel I, 58; deel I, 442-446.
  3. Francke, Utiliteyt voor de gemeene saake, Deel I, 97, 185, 207-208.'
  4. Francke, Utiliteyt voor de gemeene saake, Deel II, 76.'






Bij deze context horen de volgende brieven: