Wat zoek je in de Digitale Collectie Zeeland?

Inhoud brief

Het is waarschijnlijk dat deze brief (geschreven eind mei 1780) langere tijd in het bezit van iemand is geweest, aangezien de Britten na het uitbreken van de Vierde Engelse Oorlog, eind december 1780, pas in februari 1781 in de West arriveerden en daar schepen buitmaakten. Handelsagent J. Clement (voornaam niet leesbaar) schreef op 29 mei 1780 aan koopman Daniël Stephen Schorer in Middelburg. Hoewel handelsagent is hij het die aan Schorer opdracht tot verkoop geeft en niet andersom al begint de brief nog vriendelijk. Clement meldt dat hij het schrijven van Schorer van 31 maart 1780 ontvangen heeft (dit moet hem dus binnen twee maanden hebben bereikt). De opbrengst van de tien en twaalf balen koffie die via kapitein Theudels werden verscheept waren aan John Clement overgemaakt, maar dit was niet correct gebeurd. De opbrengst van de twaalf balen gemerkt C waren bestemd voor John Clement en die van de tien balen, gemerkt EC, moesten aan de schrijver zelf worden overgemaakt, samen met de negen identiek gemerkte balen in het pakket dat via Van Sarindragt was verstuurd. Vervolgens neemt Clement de verhoudingen duidelijk door Schorer duidelijk te maken dat als hij op basis van commissie zaken met hem wil blijven doen Schorer dan wel moet doen wat hij opdraagt, omdat hij anders wel een ander handelshuis in de stad als zakenpartner zal nemen. Clement beweert in de toekomst veel zendingen mits Schorer ervoor kan zorgen dat hij de afdracht van de winst goed regelt. Clement meldt veel zaken met andere buitenlandse bedrijven te doen in Essequebo en wijst Schorer nogmaals op zijn eisen: You will act in the manner already mention'd. In het postescriptum wordt de verscheping van een lading suiker gemeld. De opbrengst daarvan is voor rekening van Thomas Daniël uit Bristol, maar de winst kan worden overgemaakt op rekening van de heer Edwards op Barbados.

Daniël Stephen Schorer

Schorer, telg uit een Zeeuws regentengeslacht werd in 1737 geboren. Tussen 1768 en 1789 was Schorer voortdurend schepen en raadslid van Middelburg (de functie van Schepen kon slechts twee jaar achtereen worden vervuld). In 1775 bekleedde hij ook de functie van thesaurier. Hij was in 1779 bewindhebber van de VOC en lid van het Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen.[1] Uit de correspondentie met Antonius Pietersen blijkt Schorer plantage eigenaar te zijn geweest, maar onduidelijk is van welke plantage aan de Rio Essequebo. Hij bezat in ieder geval vanaf 1775 voor fl. 3.000,- aan aandelen in de koffie- en katoenplantage ‘’Vrees en hoop’’ aan de westkust van de Rio Demerary. Na zijn dood ging de administratie hiervan over aan de firma Turing & Co.[2] Daniël Steven Schorer bewoonde, net als diens vader, het huis de Dry Clavers in de Vlissingsestraat te Middelburg. Daar hingen onder meer schilderijen van Bruegel en Rubens. Ook verzamelde hij blaas- en strijkinstrumenten. Hij bezat bijvoorbeeld 17de-eeuwse violen uit Cremona. Schorer overleed in 1790.[3]

J. Clement

de Sociëteit ter Navigatie op Essequebo en annexe Rivieren (SNER) en de handel op Essequebo

Alleen ingezetenen van Zeeland hadden op basis van de overdracht uit 1670 het recht op Essequebo en Demerary te handelen. Willem V blokkeerde dat besluit met een uitspraak die vanaf 1 januari 1771 inging. Wel had Zeeland het recht eerst 16 schepen uit te reden en schepen moesten ook vanuit Zeeland uitvaren en er hun retourlading lossen. Dat reglement werd echter nog dusdanig aangepast dat ook vanuit andere kamers schepen uitgereed konden worden. Hierop staken de Middelburgse kooplieden de koppen bij elkaar om een eigen compagnie te beginnen. 185 kooplieden tekenden in voor een bedrag van 320.000 gulden en daarnaast deden ook de participanten Johan Adriaan van de Perre de Nieuwerve (vertegenwoordiger van de Eerste Edele, voor 15.000 gulden), de MCC en de lijnbanen Fortuyn en Swarte Kabel en de stadsregering (voor 24.000 gulden). De directie van de Sociëteit ter Navigatie op Essequebo en annexe Rivieren werd door vijf man geleid. De directeuren genoten een vergoeding en een percentage van het uitgekeerde dividend. Cornelis van den Helm Boddaert werd president. Vergaderingen werden in het huis van de aangestelde boekhouder gehouden. Een andere participant was Daniël Radermacher. Voor maart 1771 moest de helft van het inlegkapitaal aanwezig zijn en dat lukte. De doelstelling van de sociëteit was om schepen naar Essequebo te equiperen, daarmee was de SNER een rederij die uitsluitend goederen vervoerde. In de eerste twee jaar werden meteen zes schepen aangekocht: de Phoenix, Planterslust, Vreede, Eensgezindheid, Middelburgs Hoop en Westhove. Het fregat Essquebo Societeit stond op stapel en liep nog in 1772 van stapel van de Middelburgse scheepshelling. De schepen werden bij de Middelburgse Assurantie Compagnie verzekerd, maar de vervoerde goederen werden wel bij Amsterdamse en Rotterdamse verzekeraars ondergebracht. In 1778 was de premie voor een reis nog 3%. Bedrijven die vanuit Middelburg bevrachten waren onder meer de handelshuizen van Steven Schorer, De Bruijn & Smit, Van der Perre & Mijndert en Spoors & Sprengers, waarvan sommige ook eigen schepen hadden. Tussen 1771 en 1789 werden in totaal 360 reizen naar de koloniën ondernomen, waarvan de Zeeuwen er 152 voor hun rekening namen en Amsterdam 189. De eerste twee boekjaren werd 3% dividenduitkering uitgekeerd en bleef nog 4.500 gulden in kas. Daarna werd tot 1778 jaarlijks verlies geleden. Pas na 1779 werd weer winst gedraaid.[4] Bij de val van de kolonie op 3 februari 1781 werden in totaal 23 schepen buitgenomen waarvan vier Zeeuwse: de Eensgezindheid (kapitein Andries Christiaan Doutz) geladen met meel; de Jonge Juffrouw Margaretha (kapitein Cornelis van Kakum) geladen met suiker, koffie en katoen; de Middelburgsche Hoop (kapitein Hans Theudels) geladen met suiker, koffie en katoen en de Vryheid (kapitein Peterse) geladen met suiker, koffie en katoen. Hierna kwam het financieel niet meer goed met de SNER. In 1788 werd besloten tot liquidatie, waartoe Johan Valentijn Sprenger werd aangesteld als curator. Met de verkoop van schepen werd de schuld ingelost zodat de organisatie nog enige tijd bleef bestaan.[5] Kapiteins die voor de SNER hebben gevaren waren: Wrister Pieterse Nap, Stoffel Different, Maarten van Lou, Barend Land, Frans Hansen, Cornelis Medendorp, Jan Clisser, Hans Theudels, Hendrik Medendorp, Rocus van Swijndregt, Andries Christiaan Doutz, Pieter Willem Prins, Pieter Harmsz., Rocus Boom en Barend Goverts.[6]

Essequebo tijdens de Vierde Engelse Oorlog

De kapiteins Cornelis Loeff en Rochus van Swyndregt (schippers op de MCC-schepen Watergeus en Planterslust) verklaarden voor de Middelbrugse notaris Andreas Schouten dat zij op 27 februari 1781 met hun eigen en enige andere schepen voor anker lagen in de rivier de Essequibo. Die dag bracht een Spaans schip het bericht van de oorlog en dat al enkele Nederlandse schepen waren buitgemaakt door Engelse kaperschepen. Loeff begaf zich naar de wal om gouverneur Trotz te spreken. Deze brak het onderhoud af, waarop Loeff en de andere zes kapiteins besloten hun schepen onder de bescherming van het fort voor anker te laten liggen. Daar wachtten ze op orders van Trotz om hun schepen gevechtsklaar te maken. Een door Trotz naar Demerary gestuurde verkenningseenheid keerde spoedig terug met de mededeling dat Demerary al in Engelse handen gevallen was. Loeff wilde zijn schip verdedigen en beloofde 10.000 gulden. De bemanning wilde weten of dit geld van de MCC of van de WIC kwam en toen Trotz meedeelde dat de kapiteins zich bij onverhoopt attaque van den vijand hebben te ruguleeren naar de manoeuvres van het forteresse was het hen en Loeff duidelijk dat zij geen steun kregen. Loeff wilde de rivier op zeilen in de hoop dat de Engelsen hem daar niet zouden volgen of vinden. Trotz hield zijn vertrek echter tegen en op 3 maart verscheen een kleine Engelse vloot voor het fort. Na een kort overleg liet Trotz de vlag strijken. Op de Nederlandse schepen werd dit, volgens instructie, ook gedaan. Zonder overleg gaf Trotz de zeven Nederlandse schepen over aan de Engelsen. Wel was er nog even verwarring omdat de soldaten van het fort weigerden te dienen onder Engelse vlag en onder de uitroep vlag neer, dienst neer hun geweren wegwierpen. Zij wilden pas weer in dienst als de Nederlandse vlag gehesen werd, waarin Trotz toestemde, waarna opnieuw de Nederlandse vlag omhoog ging ofschoon de kolonie al door de Engelsen bezet was. De soldaten mochten daarna met militaire eer het fort verlaten.[7]

Literatuur

Noten

  1. Verhandelingen van het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen (1779) VI en Archief (1902) 66
  2. Archief (1902) 150
  3. Zeeland 26/3 (2017) 108. en Zeeland 3/2(1994) 67
  4. Ruud Paesie, ‘De ‘Societeyt ter Navigatie op Essequebo en annexe Rivieren,’ 300-304.
  5. Nieuwe Nederlandsche Jaerboeken 16/II (1781) 1086-1087 en Ruud Paesie, ‘De ‘Societeyt ter Navigatie op Essequebo en annexe Rivieren,’ 308-309.
  6. Ruud Paesie, ‘De ‘Societeyt ter Navigatie op Essequebo en annexe Rivieren,’ 311-312.
  7. A. Wisse, 'De overgave van Demerary en Essequibo in 1781', in: Historia 8 (1942) 191-192.






Bij deze context horen de volgende brieven: