Wat zoek je in de Digitale Collectie Zeeland?

Inhoud van de brieven aan Johan en Hendrick van de Poele

Dickenson schrijft op 2 januari 1672 vanaf de Roobanck aan de gebroeders Hendrick en Johan van de Poele twee vrijwel identieke brieven. Ter controle informeert hij of de brieven die hij met kapitein Daniël Thijssen heeft meegestuurd ook zijn aangekomen. Hij meldt zo'n zeven maanden ziek te zijn geweest en daardoor niet goed heeft kunnen werken om de suiker door te sturen. Hij vermeldt dat hij met schipper Cornelis Bastiaensen drie Surinaamse oxhoofden met 1.564 pond suiker heeft meegestuurd en in de brief aan Johan is ook nog sprake van 35 stuks letterhout van 1.837 pond. Een andere zending kon niet meer mee, maar zal hij met het eerstvolgende schip proberen mee te sturen. Dan wil hij ook de rekening en obligaties meesturen voor het cargazoen van Pieter van Hoecke, welke hij op dat moment nog niet ontvangen heeft, al verwacht hij dat binnenkort alle huren geïnd worden. Een van die wissels moet hij ontvangen van kapitein Willem Couwel die in de tussentijd al met kapitein Daniël Thijssen naar de Republiek is vertrokken. Zijn vrouw, die nog in Suriname is wist van niets, dus Dickenson vreest dat hij moet wachten tot Couwel weer teruggekeerd is. Verder vertelt hij welke schepen er allemaal zijn binnengekomen:

Op 31 december 1671 arriveerden Jan Andriesen, Jan Dimissen en Claeas Raes, waarvan de laatste twee met slaven uit Angola. Ook was Barent Armansen Tocht gearriveerd met 46 paarden uit Noorwegen.

Rogier Dickenson

Johan en Hendrick van de Poele

Suikerhandel in Suriname in het derde kwart van de 17de eeuw

Literatuur

Noten








Bij deze context horen de volgende brieven: