Wat zoek je in de Digitale Collectie Zeeland?

Inhoud brief

Guadeloupe2Kaart van Guadeloupe, uitgegeven door Jacques N. Bellin (Parijs), kopergravure, ca. 1764Adriaen laat zijn vriend (maedt) Antony Jansen weten dat hij nog in goede gezondheid verkeert, bedankt God daarvoor en hoopt dat dit ook met zijn vriend Antony het geval is. Na deze standaard formuleringen krijgt de brief snel een eigen gezicht. Adriaen meldt dat hij schrijft omdat hij dat heeft beloofd, maar er zit wel erg veel informatie in zijn brief die hij kennelijk toch graag kwijt wil. Hij heeft het naar zijn zin op de plantage en heeft een goede baas en bazin en ook is er voldoende eten voorradig. Adriaen lijkt zijn vriend over te halen om ook naar Guadeloupe te komen. Wel meldt hij dat nieuwkomers moeten kunnen timmeren of metselen omdat ze het anders slechter zullen krijgen dan de slaven. Waarschijnlijk omdat Antony wellicht hout wil kopen geeft Adriaen een uitgebreide beschrijving van alle houtsoorten die op Guadeloupe voorkomen. Sommige daarvan zijn zo keihard dat Adriaensen er zijn avegaar en bijl er op kapot gegaan zijn. Hij laat zijn neef vragen een nieuwe houtboor en bijl te laten maken en geeft daarbij exact de maten op en normen op waaraan deze moeten voldoen inclusief de onderdelen bek, lepel en schacht van de boor en het huis van de bijl. Hierna volgt een beschrijving van de fauna van het eiland waarbij hij soorten als hagedissen, mieren en slakken benoemd. Daarna komen de vruchten, groenten en fruit aan bod. Onbekende soorten worden vergeleken met groente- en fruitsoorten die in de Republiek wel bekend zijn. Hij geeft een opsomming van een grote groep vrienden en bekenden aan wie de groeten gedaan moet worden en vraagt om met het eerste het beste retourschip hem een brief terug te schrijven. Als uitsmijter vermeldt Adriaansen over de nachtelijke escapades van de slaven op de plantage, die hun vrouwen willen beslapen, maar die hiervan niet gediend zijn ("haer niet en wijlt laten fijke fijke").

De taal van de brief

Guadeloupe1Suikerplantage op Guadeloupe, foto: Wikimedia Commons

Adriaensen heeft duidelijk onderricht in lezen en schrijven gehad en hoewel hij geen hoge functie heeft kan hij wel voldoende schrijven. Woorden die hij niet kent worden fonetisch weergegeven en omdat de scholing wellicht al enige tijd achter de rug ligt gebruikt hij ook veel Zeeuwse woorden in zijn brief, waarbij de spreektaal soms gelijke tred houdt met het geschrevene:

  • Hij laat de h vaak weg aan het begin van een woord: 'eele dinne' in plaats van 'hele dunne', 'ardt eijcken' in plaats van 'hard eikenhout', 'ondert' in plaats van 'honderd.'
  • Het plaatsen van hypercorrecte h's aan het begin van woorden, zoals in Hantonij (Anton) of 'sijn h[a]rmen' (zijn armen).
  • Het voorkomen van ongediftongeerde (woorden zonder tweeklank) woorden zoals 'suker' (suiker), ijiun (ui)
  • Het verschijnen van een h waar de taal een g voorschrijft, zoals in 'harenete' in plaats van 'garenete'(garnaal)
  • Voorslag van a of e voor betrekkelijke voornaamwoorden, voltooide deelwoorden en bijwoorden, zoals 'egelijck' (gelijk) en 'adat' (dat).
  • Verwisseling van de e door de i omdat de korte e in het Zeeuws klinkt als een i, zoals in '[n]ijcke' (nek)
  • Verwisseling van de a door de o, zoals in 'onderhalf pondt' (anderhalf pond), typerend voor kustdialecten.
  • Het wegvallen van de n aan het eind van een woord (n-deletie), zoals in 'fijke fijke'
  • Het wegvallen van klinkers of medeklinkers midden in een woord (syncope), zoals in 't:gas[t]huijs' en 'me[t]sselen'
  • Typisch Zeeuwse vervoegingen van hulpwerkwoorden: 'ick en sijn'

De spreektaal van Adriaensen blijkt erg duidelijk uit het gedeelte waarin hij enkele vogelsoorten benoemd: 'perkieten, pappegaen en esters' (parkieten, papegaaien en eksters). Een woord als 'fijken' (geslachtsgemeenschap) is straattaal en heeft in het WNT slechts één bewijsplaats op schrift.[1] Deze brief maakt duidelijk dat het in de volkstaal in omgang was.

Duiding van flora en fauna

Biografische gegevens Antony Jansen en Adriaen Adriaensen

Hoewel Adriaen Adriaensen waarschijnlijk uit Vlissingen komt, is van zijn herkomst niets bekend. Gezien zijn activiteiten in Guadeloupe (hij heeft het over werk met een avegaar) is hij waarschijnlijk als timmerman in dienst op de suikerplantage, van Adriaen van de Spiegel, waar Pieter de Corte de plantagehouder van is. Er komen twee Adriaen Adriaensens voor in Zeeuwse bronnen, waarvan geen van beide met zekerheid de schrijver is. De ene is onwaarschijnlijk omdat deze al in juni 1638 belijdenis deed[2] en de ander is afkomstig van Westkapelle en wordt in januari 1665 lid van de Nederduits Gereformeerde kerk in de stad. Hij woont dan in het Breeslop.[3] Van Antony Jansen zijn geen gegevens bekend.

Bronnen

Noten

  1. Piet van Sterkenburg, ' 'Ons negerssvolc soo kijven omdat negerijnen haer niet en wijlt laten fijke fijke.' Zeventiende-eeuws Guadeloupe in Zeeuws dialect', in: Sailing Letters Journaal II (Zutphen, 2009) 62-63.
  2. Gemeentearchief Vlissingen, DTBL, Register K482, folio 172 verso. Deze man woonde in de Lange Zelke
  3. Gemeentearchief Vlissingen, DTBL, Register K 483, folio 85

 

 

 

 

 

 

 

Bij deze context horen de volgende brieven: