Wat zoek je in de Digitale Collectie Zeeland?

Inhoud brief

Netscher Demerary en Berbice1De koloniën Demerary en Berbice, kaart door P.M. Netscher, 1887De schrijver van de brief, Carel Breedau was kapitein in dienst van Snouck Hurgronje & Louijssen een grote particuliere Vlissingse handelsfirma die slaven verhandelde. Hij schreef de brief in grote haast op 22 november 1780 vanaf St. Eustatius om deze nog met een vertrekkend schip mee te kunnen geven. Breedau meldde een dag eerder op het eiland te zijn gearriveerd na een reis vanuit Berbice die twee maanden had geduurd. Zijn 'vracht' had meer opgeleverd dan hij gedacht had. In Rio Berbice had hij namelijk 197 slaven verkocht waaronder 131 mannen en 66 vrouwen. Vanuit zakelijk oogpunt meld hij dat twaalf slaven dood zijn gegaan. Van het restant slaven dat nog aan boord was heeft hij er 73 'uit de hand' verkocht. Met andere woorden in de losse verkoop in plaats van op een vendu. Uit beide verkopen hield hij respectievelijk 80.760 en 20.865 gulden over, samen 101.625 gulden. Van de achttien slaven die hij toen nog over zijn een man en een vrouw overleden. Deze verkoop bracht nog eens 5.400 gulden op. Breedau laat zijn reders weten veel angst te hebben uitgestaan op hun oude schip, met name op de 38ste breedtegraad. Hij hoopt dat de opgelopen stormschade op St. Eustatius gerepareerd kan worden omdat hij anders naar Curaçao moet zeilen. D. Schimmel heeft Breedau afgeraaden wisselbrieven mee te zenden met de kapitein waarmee hij deze brief verstuurde. De brievenzak van de kapitein was al eerder gestolen. Ook blijkt dat het niet veilig is olifantstanden met een konvooi mee te geven. Hij hoopt zelf in februari in konvooi naar de Republiek te kunnen vertrekken. Via Schimmel heeft Breedau ook vernomen dat kapitein Lahorn onder Suriname van zijn lading olifantstanden en goud is beroofd door een Engelse (?) kaper. Daarvan heeft hij zelf ook last gehad, maar zij stalen slechts enkele instrumenten van zijn chirurgijn nadat ze met geweld de kasten open braken. Wel schoten ze nog met schroot onder zijn bootsvolk om hen schrik aan te jagen.

Tijdens de reis zijn drie personen aan boord overleden: Jeronimus Wouters (17 september 1780), tweede stuurman Frans Stoffels (13 oktober 1780) en eerste stuurman Jacobus Rotteveel (11 oktober 1780). Aan de brief is nog een klein kattebelletje toegevoegd met een vraag aan de reders om toch vooral zijn vrouw (financieel) te ondersteunen indien ze daarom verzoeken zou.

Steven Mathijs Snouck Hurgronje

Deze brief is geadresseerd aan Steven Matthijs Snouck Hurgronje en Abraham Louijssen. Steven Matthijs Snouck Hurgronje (1741-1788) was reder, raad (1770-1776, ’79, ’80, ’83, ’84, ’86), schepen (1777, ’78, ’81, ’82) en thesaurier (1780) van Middelburg. Hij werd geboren op 18 oktober 1741 in Vlissingen en overleed op 46-jarige leeftijd op 29 januari 1788 in Middelburg. In 1762 kreeg hij de naamswijziging van Hurgronje naar Snouck Hurgronje. Steven Mathijs Snouck Hurgronje was getrouwd met Anna Catharina Elias op 4 september 1766 te Middelburg, hij was toen 24 jaar oud. Samen kregen zij twee kinderen: 1. Jacob Lodewijk Jonkheer Snouck Hurgronje (1778-1845) 2. Adriaan Isaac Jonkheer Snouck Hurgronje (1780-1849) Uit het Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek (NNBW) blijkt echter dat Steven Matthijs 5 kinderen had.[1] Uit de eerste twee zoons komt de gehele thans levende familie Snouck Hurgronje voort. Volgens Zeeuwengezocht.nl[2] was Steven Matthijs van 01-06-1780 tot 29-01-1788 bewindhebber van de VOC Kamer Zeeland in Middelburg. Deze functie heeft hij tot aan zijn dood uitgeoefend. Deze functie had hij dus nog niet op het moment dat deze brief geschreven werd, hoewel een andere bron [3] zegt dat hij in 1779 al bewindhebber werd. Steven Matthijs vervulde van 1777-1786 verschillende functies in het Middelburgse stadsbestuur. Zo was hij in ieder geval op 08-03-1771 Griffier van de Munt in Zeeland bij de Raad van Middelburg. Hij volgde zijn overleden voorganger Daniel Schorer op. Verder was hij directeur van de Sociëteit ter Navigatie op Essequebo en annexe Rivieren (uit hoofde waarvan deze brief geschreven zal zijn) en heeft hij ‘De calculo Minervae’ (Delft, 1758) geschreven.

Abraham Louijsse

Abraham Louijsse werd op 11 april 1797 geregistreerd als koopman Abraham Louyssen, woonachtig in het pand I 162 te Vlissingen. Hij was toen 53 jaar oud, dus moet hij in 1743 of 1744 geboren zijn.[4] Tussen 14 november 1776 en 2 mei 1805 bekleedde hij meerdere bestuursfuncties bij de Polder Walcheren, uit naam van het stedelijk bestuur van Vlissingen.[5]

Handelshuis Snouck Hurgronje & Louijsse

Het handelshuis van Snouck Hurgronje & Louijsse hield zich op met lorrendraaierij op de West. Rond circa 1765 fungeerde de firma Bengers en zoon vanuit St. Eustatius als handelsagenten voor de MCC. Zij opereerden ook namens Snouck Hurgronje en Louijsse uit Vlissingen. Na Benners en Zoon en hun faillissement in 1778 werd Jan Hendriksz. Schimmel de handelsagent van de MCC.[6] De opstand van de Amerikanen veroorzaakte een grote vraag naar wapens en ammunitie, die eerst in de Republiek en daarna via West-Afrika en St. Eustatius werden gehaald. De Walcherse buskruitmolen de Eendracht voerde zijn productie op van 170.848 pond in 1776 naar 367.535 pond in 1779. Snouck Hurgronje en Louijsse uit Vlissingen verscheepten in 1777 in de Hoop 3.000 vaten buskruit en 750 vuurwapens naar St. Eustatius.[7] Spoedig na afloop van de Vierde Engelse Oorlog, op 7 juni 1784, kochten ze voor fl. 10.955,60 in totaal 34.236 pond oud buskruit op van de Admiraliteit voor een som van 32 gulden per 100 pond.[8]

Steven Matthijs en Abraham Louijssen hadden op 17-06-1766 samen een (pak)huis aan de Nieuwendijk in Vlissingen gekocht voor 40 pond. De verkoper van dit huis was John Rainbard.[9] Op 19 juni 1783 koopt Steven Mathijs voor eigen rekening een woning in de Koepoortstraat in Middelburg van Johan de Raad voor 601 Pond Vlaams.[10] Amper vijf maanden later, op 27 november 1783, verkoopt hij ditzelfde huis, met 150 Pond Vlaams verlies aan Daniël Haaksbergen voor 450 Pond Vlaams.[11] Op 1 oktober 1784 volgt een nog schimmiger transactie als hij een huis in de Lange Noordstraat in Middelburg aan zichzelf verkoopt voor 575 Pond Vlaams.[12]

Bronnen

  • Encyclopedie van Zeeland, lemma Steven Mathijs Snouck Hurgronje
  • Victor Enthoven, 'That abominable Nest of Pirates: St. Eustatius and the North Americans, 1680-1780', in: Early American Studies 10/2 (2012) 264-290.
  • Zeeuws Archief, Middelburg, toegang 511, Rekenkamer D

Noten

  1. NNBW
  2. Zeeuwengezocht.nl
  3. Nederlandsch Adelsboek, 1914. N.N.B.W, III.
  4. ZA, Archief Gewestelijke besturen, inv.nr. 256
  5. ZA, toegang 3000, Polder Walcheren, 1511-1870, bestuurders en functionarissen, 1323-1869, pag. 801.
  6. Victor Enthoven, 'That abominable Nest of Pirates: St. Eustatius and the North Americans, 1680-1780', in: Early American Studies 10/2 (2012) 264-266.
  7. Victor Enthoven, 'That abominable Nest of Pirates: St. Eustatius and the North Americans, 1680-1780', in: Early American Studies 10/2 (2012) 288-289.
  8. ZA, toegang 508, Rekenkamer C, inv.nr. 8050, Derde rekening van Johan Valentijn Sprenger, 1781-1784, 2de grossa ontvang, 3de summa, fol. 42 verso.
  9. ZA, toegang 511, Rekenkamer D, inv.nr. 69451, TOG-WAL Transporten Onroerend Goed Walcheren 1757-1805
  10. ZA, toegang 511, Rekenkamer D, inv.nr. 69621, TOG-MDB Transporten Onroerend Goed Middelburg 1757-1805.
  11. ZA, toegang 511, Rekenkamer D, inv. nr. 69631, TOG-MDB Transporten Onroerend Goed Middelburg 1757-1805
  12. ZA, toegang 511, Rekenkamer D, inv.nr. 69641, TOG-MDB Transporten Onroerend Goed Middelburg 1757-1805

 

 

 

 

 

Bij deze context horen de volgende brieven: