Wat zoek je in de Digitale Collectie Zeeland?

Inhoud brief

SK A 4282De handelsloge van de VOC in Hougly in Bengalen, schilderij Hendrik van Schuylenburg, ca. 1665, collectie: Rijksmuseum Amsterdam, SK-A-4282 Klaugwitz, een VOC-dienaar in de vestiging Hougly in Bengalen schrijft op 20 november 1780 een brief aan luitenant-kolonel Schweinitz die bij Lillo is gelegerd. Hij meldt het overlijden van Antonij Cornelis Cramer op 8 september 1780 en vraagt aan Schweinitz of die dit nieuws voorzichtig aan diens vader wil brengen. Klaugwitz heeft daar alle reden voor want hij beweert dat Cramer wel heel netjes geleefd heeft maar hem toch 1.500 gulden schuldig is plus de opbrengst van enige verkochte goederen. Het zwakke punt aan zijn verhaal is dat hij geen enkele schuldbekentenis kan tonen, omdat zo zegt hij, Cramer een zo eerlijk man was dat dit nooit nodig was. Een meevaller voor de vader van Cramer zal zijn dat hij nog 1.075 gulden aan inkomsten voor zijn zoon kan innen bij de VOC-kamer Zeeland. Wel staat Klaugwitz er op dat de vader van Cramer hem zo spoedig mogelijk de schuld zal betalen. Dit kan via zijn gemachtigde Otto Willem Falck te Utrecht. Falck was een hoge VOC-ambtenaar. Mocht dat niet lukken dan beschouwt Klaugwitz het verlies als een afschrijving op zijn vriendschap met Cramer, maar in hoeverre hij dit meent is niet duidelijk. Als laatste meldt Klaugwitz dat de boedel van Cramer te Hougly toereikend was om de begrafenis en de daarbij behorende onkosten en kleine schulden te betalen.

Personen in de brief

Cramer Anthonij Cornelis grootboek VOCUitbetaling van 398 gulden door VOC functionaris Isak Noe aan Anthonij Cornelis Cramer voor de reis met de Duinenburg (1669-1771), NA, Archief VOC, inv.nr. 13169, fol. 13. De overleden Anthonij Willem Cramer was eerder al werkzaam voor de VOC. Op 30 maart 1669 ging hij als matroos aan boord van de Duinenburg, een schip van de VOC kamer Zeeland. Hij was toen woonachtig in Lillo, vermoedelijk nog bij zijn ouders. Het schip vertrok op 10 november 1770 voor de terugreis vanuit de Oost. Cramer was toen bootsgezel. In die functie was hij roerganger, waak, zorgde hij voor het reinigen, teren en kalfaten van het schip, het aanslaan van de zeilen en was hij hulp van de onderofficieren.  Op 31 januari 1771 deed het schip Kaap de Goede Hoop aan, vanwaar het op 2 maart vertrok. De Duinenburg arriveerde op 21 juni 1771 voor de rede van Walcheren.1] 

Waarschijnlijk heeft Cramer daarna nog een reis ondernomen en is hij als werknemer in dienst van de VOC in Bengalen beland, waar hij op 8 september 1780 overleed.
Otto Willem Falck was eerst onderkoopman en werkte zich later op tot advocaat-fiscaal van de VOC-vestiging Chinsura/Hougly, waar hij vanaf 1766 werkte. In 1786 werd hij aangesteld als bewindhebber van de VOC.[2]

Literatuur

  • J.R. Bruijn, F.S. Gaastra en I. Schöffer, Dutch-Asiatic Shipping in the 17th and 18th centuries, Volume III, Homeward-bound voyages from Asia and the Cape to the Netherlands (1597-1795) (Den Haag, 1979).
  • Femme S. Gaastra, De geschiedenis van de VOC (Zutphen, 1991).
  • Els M. Jacobs, Koopman in Azië. De handel van de Verenigde Oost-Indische Compagnie tijdens de 18e eeuw (Zutphen, 2000).
  • Frank Lequin, Het personeel van de Verenigde Oost-Indische Compagnie in Azië in de 18e eeuw, meer in het bijzonder in de vestiging Bengalen (Alphen aan de Rijn, 2005).
  • Bauke van der Pol, De VOC in India. Een reis langs Nederlands erfgoed in Gujarat, Malabar, Coromandel en Bengalen (Zutphen, 2011).
  • Om Prakash, The Dutch East India company and the Economy of Bengal, 1630-1720 (Princeton, 1985).

Noten

    1. NA, 1.04.02, Archief VOC, inv.nr. 13169, fol. 13
    2. gahetna.nl

 

 

 

 

 

 

 

Bij deze context horen de volgende brieven: