Wat zoek je in de Digitale Collectie Zeeland?

Inhoud brieven

Het schip waarmee de brieven werden vervoerd was de Dankbaarheid van VOC-kamer Rotterdam onder bevel van Hendrik Steedsel. Het schip was op 20 januari 1781 vertrokken uit Bengalen en op 25 april bij Kaap de Goede Hoop gearriveerd. Na een verblijf van drie weken vertrok het schip hier op 13 mei. Ten slotte werd het op 21 juli 1781 door de Engelsen veroverd in de Saldanha baai, ongeveer 80 mijl noordelijk van Kaap de Goede Hoop (zie alinea Slag om Saldanhabaai).[1] Een jaar later zou het met man en muis vergaan.

HerklotsDe gezamenlijke ondertekening van een brief aan broer Christiaan en zijn twee zussen door Gregory Herklots en zijn vrouw Christina, 20 november 1780, foto: J. FranckeDe complete set bestaat uit zeven brieven, waarbij er een scheiding is tussen zakelijke post (gericht aan Johan David) en persoonlijke post aan Christiaan en zijn zussen Petronella en Cornelia, waarin ook familiezaken en politieke ontwikkelingen aan bod komen. Deze brieven zijn mede ondertekend door zijn vrouw Christina. Binnen Zeeuwpost zijn de brieven getoond zoals ze werden aangetroffen, de reeks brieven was niet in chronologische volgorde geplaatst. Ook zit een tweetal afsluitende pagina's numeriek bij een foutieve brief. Hieronder is de samenvatting van de zeven brieven (met datumvermelding en geadresseerde) wel chronologisch weergegeven:

Brief 1 – aan Johan David, 20 november 1780

Bij de brief van 20 november zit een duplicaat van een brief welke in augustus verzonden werd met het schip Popkensburg van de VOC-kamer Zeeland. Dit schip kwam ondanks de oorlog veilig aan te Cadiz op 8 juni 1781.[2] De post is dus waarschijnlijk over land aangekomen. Gregory Herklots schreef dat de lading bier en wijn die de Popkensburg meenam was aangekomen met het schip op de Ganges. Herklots deed verslag aan zijn broer Johan David en de heer Smitman omdat hij op hun commissie de verkopen uitvoerde. Beide wijnsoorten ‘zijn goed van smaak gevonden, dog de Rijnse te jong en de roode te ligt.’ Hij had beide op de vendu aangeboden, maar nadat de Rijnse wijn 1 ropy per fles opbracht en de rode wijn slechts 11 tot 12 anas liet hij de verkoop ophouden. Nadien kreeg hij nog de kans om 3 kassen rode wijn voor 1 ropy of 16 anas per fles te verkopen Van de Rijnwijn wist hij uiteindelijk 1 kist tegen 1 ropy voor één en een kwart fles te verkopen. Nadat de Bovenkerkerpolder was aangekomen op 16 november 1780[3] werd er zoveel wijn aangevoerd dat Gregory afzag van verkoop door de prijsval. Wel had hij nog 2 kassen rode wijn en 1 kas Rijnwijn in Kassimbazaar waarvan een kas rode wijn voor was verkocht. Hij beloofde de verkooprekening met het schip van januari (de Dankbaarheid) mee te sturen. De vijf vaten bier van Smitman waren door vendumeester Kraijenhoff verkocht en de opbrengst daarvan bedroeg na aftrek van recognitie aan de VOC, bodediensten en kuiperloon 166 sicca ropy. Hij zal de afrekening hiervan aan broer Michiel vragen te voldoen. Wel vroeg hij Johan David of deze tevreden was met de verkoop aangezien deze hem geen opgaaf van kosten had gedaan en Gregory dus niet wist wat de bodemprijs voor de wijn moest zijn. Hij vroeg hen wel meer te verzenden, omdat het hem een plezier was deze voor hen te verhandelen. Ter controle liet hij weten dat er te Houghly gearriveerd waren: 630 bottels Rijnwijn, waarvan er 8 gebroken en 2 als monster werden gebruikt. Er waren 1.267 bottels rode wijn, waarvan er 5 nog heel waren, maar waarbij de inhoud leeg was, terwijl er nog geen krasje op de flessen zat: ‘zou dit ook door uwen kelderknecht abusive geschied zijn?’ Van deze partij waren 23 flessen gebroken en 5 als monster genomen. Het bier viel minder goed in de smaak. Daarvan was er een zeer wrang, maar de anderen waren acceptabel. Wel werd het Zeeuwse bier over het algemeen te bitter gevonden: ‘dat de smaak hier niet schijnt te wesen.’ Hij zou echter proberen een vat bier in Kassimbazaar te verkopen. Zodra er weer een schip retour ging zou Herklots trachten twee kisten lijnwaad mee te zenden, maar wel naar Hoorn of Enkhuizen en liever niet met de Dankbaarheid (die voor de kamer Rotterdam voer). Hij zou de kisten lijnwaad adresseren aan broer Willem. Tevens vroeg hij zijn broer bij de verzending van een nieuw partij wijn wat kieskeuriger te zijn en de markt niet te overspoelen: ‘laat dan de roode wat swaarder vallen en niet vrang en de Rijnse wat ouder wijn zijn, fijne wijnen zullen mede wel gewild wesen, dog niet te veel van ieder.'

Brief 2 – aan Johan David, 20 november 1780

De handelsloge van de VOC in Hougly in Bengalen, schilderij Hendrik van Schuylenburg, ca. 1665, collectie: Rijksmuseum Amsterdam, SK-A-4282

Toen Gregory in augustus 1780 vernam dat een Deens schip naar Europa vertrok schreef hij een brief voor Christiaan waarvan hij bij deze brief een duplicaat heeft bijgevoegd. Hij berichtte over de aankomst van het schip Popkensburg en daarmee van de ontvangst van hun brieven van 20 december 1779. Ondertussen heeft hij begrepen dat het Deense schip nog in Indiase wateren heeft moeten ankeren in verband met de moesson en pas in januari 1781 weer verder zou kunnen varen. Reden waarom hij spijt had dat hij zijn brief daarmee gestuurd had. Waarschijnlijk achteraf niet, want de Denen raakten niet in oorlog met de Engelsen, dus zal die post waarschijnlijk wel aangekomen zijn. Gregory Herklots vertelde er trots op te zijn door de ‘Hooge Regeering’ (in Batavia) benoemd te zijn tot secunde (onderkoopman) van de Directie in Bengalen, en hij hoopte dat die aanstelling in de toekomst goede kansen waren een ‘stapje verder te komen’, want zo stelde hij: ‘daar ik nu op Kassimbazaar blijf continueeren, van waar het mijn verlangen is hoe eerder hoe liever te vertrekken, wil ik niet ontkennen met het pluimptje van dien titul wel in mijn schik te zijn.’ Daarin zou hij gelijk krijgen. In de brief zinspeelde Herklots al op de oorlogsdreiging en de ‘kritieke tijden.’ Gregory meldde zijn familie blij te zijn met de geboorte van een zoon bij zijn zus, die op 21 februari 1780 werd geboren en waarvan hij bericht ontving met de komst van de Bovenkerkerpolder op 16 december 1780, waarna hij in gelukwensen voor het jonge kind uitweid om vervolgens van de geboorte over te stappen op de dood van Johan Davids schoonmoeder ‘mejuffrouw’ Bomme, waarvan hij zowel door het overlijden als de toedracht daarvan zeer werd getroffen. Ook het overlijden van tante Huijge trof hem. Herklots sloot af met enkele zinnen over de zware verliezen van de VOC, waaronder het schip de Mentor[4] dat op het rif van Angulhos was verongelukt en waar slechts twee opvarenden leven vanaf kwamen.

Brief 3 – Gregory en Christina aan Christiaan Herklots en de zussen Pieternella en Cornelia, 20 november 1781

Christiaan Herklots bezat in de jaren 1780 niet minder dan 2 pakhuizen en drie woonhuizen in de Schuttershofstraat in Middelburg, waar hij ook zelf woonde, foto: J. Francke, 2017

Deze brief is een duplicaat van een eerder verstuurde brief. Gregory en zijn vrouw Crhistina reageerden hierin misnoegd op het niet ontvangen van post van zijn broer: ‘het heeft ons ten uiterste leed gedaan, met de komst van het eerste, direct voor deese directie gedestineerde Zeeuwsche schip, met geene uwer edeles letteren verheugd te hebben mogen worden. Dit hadde mij egter niet voorgesteld, dat uw edeles ongenoegen op mij zo verre zoude gegaan zijn, om eene geleegenheid als deese om waar genomen te laten voorbijgaan.’ Gregory maakte hieruit op dat Christiaan dat de relatie met zijn broer vertroebeld was en hij hem niet meer wilde spreken: ‘deeden mij genoeg begrijpen dat het met onse correspondentie, op het laast stond te loopen, bij aldien die van mijne zijde niet beantwoord wierde.’ Toch waagde Gregory er nog een poging aan, al weten we nu dat het twijfelachtig is of die poging zijn broer heeft bereikt. Duidelijk is dat Gregory zelf in het verleden ook niet altijd even trouw in zijn schrijven was geweest: ‘hoe zeer mij, ten opsigte van ’t brieve schrijven heb gebeetert.’ Via een brief van zijn oudste broer Johan David, ontvangen in oktober 1780 had hij vernomen dat Christiaan net als zijn oudste zoon Gregorius erg ziek waren geweest, en hij hoopt op hun beterschap. Gregory gaat in deze brief in op de oorlogsdreiging, maar geloofd dat het met de dreiging voor de Republiek wel los zal lopen: ‘Ik zoude egter met opsigt tot den oorlog konnen zeggen, dat het mij voorkomt de Engelschen daar mede rijkelijk de handen vol hebben, niet alleen in Europa.’ Vooral uit Coromandel kwamen echter slechte berichten omdat de Engelsen de Franse posities hadden aangevallen en hij was bang dat ook te Bengalen ‘dit onweeder zal uitbreeken’, want de kantoren van Porto Novo en Sadras Patnam werden al verwoest en daarmee hadden ook de VOC-dienaren te maken gekregen. De Engelsen stonden op het moment van schrijven voor Madras en omsingelden en beschoten de stad. De Franse generaal Coote zou daar met 5.000 manschappen en artillerie naartoe gegaan zijn, maar dezen werden opgehouden door de moessonregens. Toch ging Herklots er vanuit dat de Engelsen opgesloten zouden worden door de inlandse vorsten uit de bergen en de Fransen, maar tegelijk vreesde hij een inlandse overwinning want, ‘bij aldien den inlander de overhand behaalde, alle Europeese natien daaronder zouden moeten lijden, en zij misschien geene hier zouden dulden.’ De Engelse positie in Bengalen was al sterk, er werd sinds 1781 al een krant gedrukt, maar Herklots is niet bepaald onder de indruk van de inhoud die hij zelf in de ledige uurtjes tot zich neemt. Hij voegde klaarblijkelijk wel enige van deze kranten toe aan zijn brief want hij merkte hierover op: ‘meld mij eens hoe uw edele deese papiertjes heeft gevonden.’ Herklots sloot af met het vertellen over zijn benoeming als secunde, maar in andere bewoordingen dan dat hij dit bij David Johan deed, want hij heeft het nu over ‘moet ik mij daar aan wel onderwerpen’, als hij het over de beslissingen van de Hooge Raad van Batavia heeft. Wel meld hij dat de VOC bij zijn benoeming een ander beoogd opperkoopman in de vorm van de heer Brueijs voor het hoofd heeft gestootten doordat hij eerder is benoemd. Aangezien dit de enige baan was die hij kon betrekken was hij er desalniettemin zeer mee ingenomen want hij was nu van ‘het naare Kalkapoer ontslagen.’ Verder wenste hij geen dubbele zaken in de brief te benoemen zodat beide broers in Middelburg elkaar van de diverse inhoud van de brieven op de hoogte konden houden.

Brief 4 – aan Johan David en Christiaan, 12 januari 1781

Gregory Herklots schreef op 12 januari 1781 aan zijn broers Christiaan en Johan David Herklots in Middelburg. Hij stuurde daarbij een assignatie van fl. 396,50 ten laste van de VOC, welke geïnd kon worden op het kantoor van de compagnie. Dat bedrag dient om aan de zusters van de drie broers, Cornelia en Petronella beschikbaar te stellen. Ook gaf hij hierbij aan dat hij een jaar eerder ook al een assignatie had gestuurd, maar de hoogte van dat bedrag meldde hij niet. Tevens verzocht hij een tegoed van 720 gulden bij de kamer Amsterdam van de VOC te innen en dat bedrag als alimentatie voor zijn kinderen te bewaren. Herklots was namelijk van plan geweest om zijn kinderen al eerder dat jaar naar de Republiek te sturen, waarschijnlijk om ze daar school te laten volgen, maar door ziekte van zowel zijn kinderen als hijzelf was het daar niet van gekomen. Zijn jongste zoon was geheel hersteld, maar Izaak was nog heel zwak. Nu wilde hij ze in november 1781 naar de Republiek sturen. Dat zal er niet meer van gekomen zijn door de oorlog, en waarschijnlijk hebben zijn kinderen India nooit verlaten in hun jeugd.

Brief 5 – Gregory en Christina aan Christiaan Herklots, 15 januari 1781

Op 15 januari zend Gregory de duplicaatbrief van 20 november aan Christiaan en zijn zussen, maar hij wil dit niet doen zonder er een nieuwe brief aan toe te voegen. Hij stuurde daarbij nogmaals een set Engelse kranten op, ditmaal de nummers 44 tot en met 51 en een almanak voor het jaar 1781. Niet omdat deze van nut zou zijn, maar zodat Christiaan de vorderingen van de drukpers in Calcutta zou kunnen aanschouwen in het drukwerk in het boekblok en hij ook de Mohammedaanse en Bengaalse kalender kan aanschouwen en de namen van de Bengaalse maanden en hun feestdagen, zoals het feest Seeree Kunchemee op 19 augustus, dat volgens Herklots uitgesproken dient te worden als ‘Sierie Konchemij.’ Gregory Herklots is in januari 1781 al goed op de hoogte omtrent de gespannen situatie met Engeland en het is dan ook eigenlijk verwonderlijk dat de VOC-dienaren niet tijdig uit Bengalen vertrokken zijn. Zo meldde hij Christiaan uit de berichten uit Europa opgemaakt te hebben dat ‘het met den vreede tusschen ons en Engeland maar zeer wrak staan, zodat waarheid is en het met dat rijk en onse Republiek tot eene rupture komt… en zal het met ons apparent gaan gelijk met de Franschen. Dat is te zeggen, hoe spoediger hoe beeter Bengalen te verlaten, want op de eerste tijdinge van oorlog moeten wij vast i[ns]pringen.’ Ook was hij op de hoogte van het Verbond van de Gewapende Neutraliteit met Catharina II van Rusland dat in november 1780 gesloten werd. Gregory Herklots gaf aan de brief mee te geven met kapitein Steedsel van de Dankbaarheid. Het was tevens op diens verzoek dat alle post slechts in twee pakjes bij elkaar gebundeld werd verzonden op naam van hun oudste moeder. Herklots verklaarde evenals zijn kinderen in goede gezondheid te verkeren en hoopte dat ook van zijn broer en zijn kind, diens naamgenoot.

Brief 6 - aan Johan David Herklots, 15 januari 1781

Handelsloge van de VOC in Cassimbazar, schilderij Scheepvaartmuseum Amsterdam

De brief van Gregory aan Johan David Herklots van 15 januari 1781 is een origineel en vermeld de ontvangst en gedeeltelijke verkoop van de drank die op rekening van David Johan in Bengalen werd binnen gebracht. Sinds 20 november heeft Herklots het voor elkaar gekregen alle rode en Rijnwijn verkocht te krijgen. De totale netto opbrengst bedroeg 2.007 sicca ropy en dat van het bier 166,-, samen 2.173 sicca ropy. Dat tezamen in Nederlandse guldens een bedrag oplevert van fl. 2.987, 17stuiver en 8 duiten (fl. 2.987,88). Volgens afspraak zou het uitkeren van dat bedrag moeten geschieden door het versturen van een partij lijnwaad. Dat was ook de intentie van Herklots om dat zo te doen. Hij was van plan geweest de lijnwaad in twee officierskisten te stoppen (officieren van de VOC mochten , naar rato van rang, meer eigen goederen meenemen aan boord), maar terwijl hij zelf in Cassimbazar was om daar lijnwaad op te kopen had schipper Verburg alle officierskisten opgekocht en ze zelf met lijnwaad gevuld. Kisten van dekoffcieren waren nog wel te krijgen, maar daarin mocht van de VOC geen witte lijnwaad verzonden worden. Herklots zou dus een wissel uitschrijven met de verschuldigde som, tenzij David Johan bereid was nog een jaar op zijn lijnwaad te wachten, want een volgende lading kon pas in november 1781 verzonden worden. Omdat de wissel pas in juli verzonden kon worden zou Herklots tot die datum een rente van ¾% betalen. Het montant op de VOC (dat voor zijn kinderen was bedoeld) zou als voorlopige aanbetaling kunnen dienen voor de som van fl. 2.907,70 of fl. 2.750 die hij schuldig was. Herklots meldde in zijn brief dat de wisselkoers van de ropy 31,5 stuivers bedroeg en het gebruikelijk was daarover 7 9/13% of (7,69%), waardoor de werkelijke wisselkoers 27,5 stuiver per ropy bedroeg. Er zou nog een som van fl. 217,25 open staan, welke door broer Michiel Herklots aan David Johan zou moeten worden uitbetaald. Met de vorige brief was hij namelijk in het geheel vergeten de verkopen van het bier met een wissel te vergoeden. Over de wijn maakt hij nog enkele goedkeurende opmerkingen: ‘de Rijnse wijn hoe ouder en zagter op de tong hoe beeter.’ Verder meldde Herklots dat in de assignatie die in november was verstuurd een fout was geslopen omdat deze op naam van Christiaan was gesteld, terwijl David Johans naam er op hoorde te staan. Een en ander was mondeling doorgegeven aan negotieboekhouder Bogaard die doorgegeven had dat er drie broers van Gregory Herklots waren die diens assignaties mochten ontvangen. Hij hoopte echter dat de broers alles eerlijk zouden verdelen en beloofde in het vervolg voorzichtiger te zijn.

Brief 7 - Gregory en Christina aan Johan David Herklots en de zussen Pieternella en Cornelia, 15 januari 1781

Er is een tweede brief gericht aan Johan David Herklots van diezelfde 15 januari 1781, alleen deze tweede brief werd ook ondertekend door zijn vrouw Christina, is tevens gericht aan zijn zussen, bevat meer persoonlijke informatie en is een origineel ter aanvulling op de duplicaten: ‘zo willen w’egter het duplicaat mijner jongste van den 20e november op heeden, niet laten vertrekken zonder er een reegeltje bij te voegen.’ Hij zal het echter kort moeten houden in verband met het aanstaande vertrek van de Dankbaarheid want de schipper daarvan werd al op de 14de januari ‘gedepecheerd’ (van vrachtbrieven voorzien). Hij informeert dan ook vooral naar de familie en hoopt dat hij zijn twee kinderen spoedig naar de Republiek zenden kan zodat alle kinderen van de broers elkaar eens kunnen treffen: ‘hoe gaarne wenschten wij al dat jonge volkje eens bij den anderen te zien.’ Het speet Herklots niet dat Mr. Gerhard Ross met zijn tante vertrok (dit was kennelijk familie van de Directeur Johannes Mattheus Ross (1776-1781) van de factorij in Bengalen), maar gaf aan vrees te hebben voor de ontwikkelingen van de oorlog in Europa die al gaande was en waarbij mogelijk de Republiek ook betrokken zou worden en hoopte dat de post toch over zou komen. Herklots had aan kapitein Steedsel twee pakketjes met kleinigheden meegegeven voor broer Michiel, en omdat alles bij elkaar gedaan moest worden hoopte hij dat nu de zussen de presentjes onderling zouden verdelen en zij er geen ruzie over zouden zoeken wat voor wie was.

De Slag om Saldanhabaai (1781)

De Slag om Baai Saldanhabaai ( 21 juli 1781) was een maritieme actie even buiten de Nederlandse Kaap De Goede Hoop kolonie. Een squadron Engelse marineschepen onder commando van commodore George Johnstone nam vijf Nederlandse VOC schepen in beslag en een zesde werd vernietigd. Er waren weinig tot geen Nederlandse slachtoffers en aan Engelse zijde zelfs geen één.

Johnstone had de opdracht om de Nederlandse nederzetting Kaap De Goede Hoop te veroveren. Frankrijk kwam echter achter de plannen van deze missie en stuurde admiraal Bailli de Suffren, die de missie dwarsboomde. Op 16 april 1781 ontmoetten beide vloten elkaar bij de Kaapverdische Eilanden, wat resulteerde in de slag om Porto Praya.

Suffren zeilde naar Kaap De Goede Hoop, terwijl Johnstone in Porto Praya bleef voor herstelwerkzaamheden. Het resultaat was dat Johnstone op een zeer goed verdedigde kolonie stuitte toen hij daar in juli aankwam en besloot om niet aan te vallen. Uit voorzorg hadden de Nederlanders hun vloot, beladen met goederen, westwaarts gestuurd om in Saldana Bay voor anker te gaan. Ze hadden orders om in geval dat de Britten zouden opdagen, hun schepen in brand te steken en te doen zinken. Helaas waren ze niet erg waakzaam. Een van Johnstone’s fregatten, die de Franse driekleur voerde, onderschepte een Nederlandse koopvaarder, die de baai een dag tevoren had verlaten, richting het Oosten. Dit schip was De Held Woltenmade onder kapitein Vrolijk. Hierdoor wist Johnstone waar de Nederlandse vloot zich ophield.

Bij Saldana Bay aangekomen kreeg Johnstone de Nederlandse vloot in het vizier en voer de baai binnen, terwijl hij de Franse vlag voerde. Toen hij de Britse vlag hees, opende hij het vuur en verraste daarbij de Nederlanders compleet. De Nederlanders konden niet ontsnappen en besloten hun schepen te vernietigen, liever dan ze in Engelse handen te laten vallen. Daarom kapten ze de ankertouwen, verwijderden hun topzeilen en probeerden hun schepen te laten stranden. Toen dit was gedaan, trachtten ze hun schepen in brand te steken. De Britten probeerden de vuren te blussen, hetgeen lukte, en de schepen De Dankbaarheid,Parel, Honkoop en Hoogkarspel werden in beslag genomen. Het schip De Middelburg brandde te hevig en explodeerde.[5]

De Britten stuurden de in beslag genomen schepen door naar Engeland. Slechts twee bereikten hun bestemming. Een Frans fregat viel de Hoogkarspel aan, maar deze wist te ontsnappen naar Mount’s Bay, vanwaar ze verder naar Engeland werd begeleid. Ook de Parel werd door twee Franse schepen aangevallen, maar ook zij wist te ontsnappen. De Dankbaarheid en de Honkoop gingen verloren. Het is niet duidelijk of dit het gevolg was van vijandelijkheden of van de grillen van de zee. De brieven afkomstig uit de Dankbaarheid zijn met een Brits schip meegenomen naar Engeland.

De Britten hadden de Dankbaarheid en de Honkoop verzekerd, zodat ze ondanks het verlies van beide schepen toch hun voordeel haalden uit het verzekeringsgeld.

Trivia m.b.t. deze brievenset

Kalkatta is de oude naam voor de stad Calcutta. De naam werd in 2001 weer terug veranderd in de naam Kolkata, wat de Bengaalse benaming is. Het betekent: het veld van Kali. Kolkata ligt aan de rivier de Hoogly ( Hougli )

Een gouden sikka ropy = 16 ane (anas in de brief) en weegt 15 ane goud. Dit staat gelijk aan fl. 23:12st.:8d. (fl. 23,64). Een zilveren ropij is 15 ane waard.[6] Herklots rekent voor een gewone sicca ropy circa anderhalve gulden.

Biografische gegevens familie Herklots

Literatuur

Noten

  1. J.R. Bruijn, F.S. Gaastra en I. Schöffer, Dutch-Asiatic Shipping in the 17th and 18th centuries, Volume III, Homeward-bound voyages from Asia and the Cape to the Netherlands (1597-1795) (Den Haag, 1979) 626 en VOC site-schepen
  2. VOC site en J.R. Bruijn, F.S. Gaastra en I. Schöffer, Dutch-Asiatic Shipping in the 17th and 18th centuries, Volume III, Homeward-bound voyages from Asia and the Cape to the Netherlands (1597-1795) (Den Haag, 1979) 626.
  3. VOC site
  4. VOC site
  5. De schepen die buitgemaakt werden: De Dankbaarheid onder kapitein Steedsel, Parel onder kapitein Plockker, Honkoop onder kapitein Land, Hoogkarspel onder kapitein Harmeyer, De Held Woltenmade onder kapitein Vrolijk, De Middelburg onder kapitein van Gennip.
  6. Memoriën van munten, maten en gewichten, als dezelve op Batavia en op de respective comptoiren van Indië in gebruik zijn, Volume 1 7-9.

 

 

 

 

 

 

 

Bij deze context horen de volgende brieven: