Wat zoek je in de Digitale Collectie Zeeland?

Inhoud brief

Jan Feijk schrijft op 13 januari 1781 vanuit Curaçao aan zijn vrouw in Zierikzee dat hij nog goed gezond is en van haar hetzelfde hoopt, ook al heeft hij nog geen brief van haar ontvangen. Hij zegt altijd met zijn gedachten bij haar te zijn en hoopt dat ze wissels trekt op zijn gage op het kantoor van de reder. Dit was mogelijk en op deze wijze ontvingen de vrouwen thuis toch een geregeld salaris van hun man. Na afloop van de reis werd deze som van de gage van de opvarende afgetrokken. Feijk geeft aan dat het de bedoeling is dat het schip in de eerste of laatste week van april naar Amsterdam vertrekt en hoopt daar in juni aan te komen. Hoewel Curaçao tijdens de in februari in de West startende oorlog niet in Engelse handen zou vallen werd er tot mei 1782 geen toestemming gegeven met een schip richting Europa te vertrekken. Feijk en zijn vrouw zullen elkaar daarom lange tijd niet hebben kunnen zien.

De spelling van Jan Feijk doet vermoeden dat deze oorspronkelijk Duits is en wellicht in Zierikzee getrouwd met zijn vrouw en op deze wijze in Zeeland terecht gekomen. Feijk schrijft woorden met een Duitse herkomst zoals: 'Godtes goedheit', 'nun' in plaats van 'nu', heeft het over 'glucken' in plaats van geluk en eindigt met 'bit in den doot' (bis den Tod) in plaats van 'tot den doot.'

Biografische gegevens Jan Feijk en zijn vrouw

Noten









Bij deze context horen de volgende brieven: