Wat zoek je in de Digitale Collectie Zeeland?

Inhoud brief

Kapitein Pieter Breeda meld zijn vrouw dat hij al thuis had moeten zijn maar dat zijn schip schade opliep halverwege de reis over de Atlantische Oceaan. Daardoor was hij gedwongen terug te keren en St. Eustatius aan te doen, waar hij half november aankwam. Hij zal proberen zo spoedig mogelijk daar, of op een ander eiland, zijn schip te laten repareren en dan in het voorjaar van 1781 naar huis toe komen. Hij is er waarschijnlijk erg druk mee, want hij geeft aan een kort verslag van het gebeurde te willen schrijven maar er op dat moment geen tijd voor te hebben. Tenminste, Paree Breeda hoopt in het voorjaar naar huis te gaan, maar op 3 februari 1781 zou een eskader onder admiraal Rodney het smokkeleiland innemen en alle schepen die op de rede liggen buit nemen en de aanwezige zeelieden gevangen zetten.

Aan boord van het schip van Paree Breeda bevonden zich meerdere opvarenden waarvan ook brieven bekend zijn, zoals de zeelieden Bonk en Janise.[1]

Paree Breeda is een kapitein die zich verantwoordelijk voelt voor zijn bemanning, want hij vraagt zijn vrouw de echtgenoten te informeren van enkele opvarenden. Hij laat de vrouw van A. Christiaanse weten dat hij nog gezond is. De echtgenoten van Mitie (Mietje), de ondermeester (de eerste stuurman) en matroos Wouters moeten worden ingelicht dat hun mannen overleden zijn.

Biografische gegevens van Paree Breeda

Literatuur

Noten

  1. Brief van Bonk en Janisse aan C. Maale, 22 november 1780








Bij deze context horen de volgende brieven: