Wat zoek je in de Digitale Collectie Zeeland?

Inhoud Brief

Deze brief handelt over een betaling aan Cornelus de Somer, die gestationeerd is in Rio Essequebo. Aan de Somer moet 20 Pond Vlaams worden betaald.

Cornelus de Somer en Louis du Mas

Op 22 augustus 1710 is ene Cornelus de Somer gedoopt te Vianen. Onduidelijk is of het hier dezelfde persoon betreft. Van de geadresseerde, Louis du Mas, koopman te Vlissingen, is de overlijdensdatum te vinden: 23 juli 1793. als verblijfplaats wordt opgegeven: 'Kousteensen Dijk.'[1] In het 'Gildeboek onder directie van de Deekens van 't Lijkdienaars gilde' wordt nog het een en ander duidelijk over de begrafenis. De begrafenis van capitijn Louis du Mas vond plaats in de Oostkerk te Middelburg. verder wordt vermeld: 'drie lijkdienaars, 12 Dragers. Boete van 29 roubande: £ Vls. 1:9:0, dito van het stroo, 39 Bondt: £ Vls. 0:10:0.'[2]

Het handelsbedrijf van Louis du Mas was acht jaar daarvoor failliet gegaan. In oktober 1785 werden Boursse, De Superville & Smith, Van den Bosch en Zoon, Petrus Johannes Nortier en Hermanus Pruyst als curator aangesteld over de boedel van Du Mas. [3]

Essequebo tijdens de Vierde Engelse Oorlog

De kapiteins Cornelis Loeff en Rochus van Swyndregt (schippers op de MCC-schepen Watergeus en Planterslust) verklaarden voor de Middelbrugse notaris Andreas Schouten dat zij op 27 februari 1781 met hun eigen en enige andere schepen voor anker lagen in de rivier de Essequibo. Die dag bracht een Spaans schip het bericht van de oorlog en dat al enkele Nederlandse schepen waren buitgemaakt door Engelse kaperschepen. Loeff begaf zich naar de wal om gouverneur Trotz te spreken. Deze brak het onderhoud af, waarop Loeff en de andere zes kapiteins besloten hun schepen onder de bescherming van het fort voor anker te laten liggen. Daar wachtten ze op orders van Trotz om hun schepen gevechtsklaar te maken. Een door Trotz naar Demerary gestuurde verkenningseenheid keerde spoedig terug met de mededeling dat Demerary al in Engelse handen gevallen was. Loeff wilde zijn schip verdedigen en beloofde 10.000 gulden. De bemanning wilde weten of dit geld van de MCC of van de WIC kwam en toen Trotz meedeelde dat de kapiteins zich bij onverhoopt attaque van den vijand hebben te ruguleeren naar de manoeuvres van het forteresse was het hen en Loeff duidelijk dat zij geen steun kregen. Loeff wilde de rivier op zeilen in de hoop dat de Engelsen hem daar niet zouden volgen of vinden. Trotz hield zijn vertrek echter tegen en op 3 maart verscheen een kleine Engelse vloot voor het fort. Na een kort overleg liet Trotz de vlag strijken. Op de Nederlandse schepen werd dit, volgens instructie, ook gedaan. Zonder overleg gaf Trotz de zeven Nederlandse schepen over aan de Engelsen. Wel was er nog even verwarring omdat de soldaten van het fort weigerden te dienen onder Engelse vlag en onder de uitroep vlag neer, dienst neer hun geweren wegwierpen. Zij wilden pas weer in dienst als de Nederlandse vlag gehesen werd, waarin Trotz toestemde, waarna opnieuw de Nederlandse vlag omhoog ging ofschoon de kolonie al door de Engelsen bezet was. De soldaten mochten daarna met militaire eer het fort verlaten.[4]

Literatuur

  • A. Wisse, 'De overgave van Demerary en Essequibo in 1781', in: Historia. Maandschrift voor geschiedenis en kunstgeschiedenis 8 (1942) 191-192.

Noten

  1. Zeeuwen Gezocht
  2. 'Gildeboek onder directie van de Deekens van 't lijkdienaars Gilde'
  3. Krantenbank Zeeland, Middelburgsche Courant, 27 december 1785, pag. 2.
  4. A. Wisse, 'De overgave van Demerary en Essequibo in 1781', in: Historia 8 (1942) 191-192.








Bij deze context horen de volgende brieven: