Wat zoek je in de Digitale Collectie Zeeland?

De inhoud van de brief

LangeGroendal ZierikzeeHet Lange Groendal in Zierikzee, nog altijd een smal straatje met arbeidershuisjes, foto: Google mapsNicolaas Touser bericht vanaf Curaçao aan zijn vrouw in het Lange Groenendal in Zierikzee, een zijstraatje van de Nieuwe Haven -dat nog steeds bestaat- waar veel zeevarend volk woont.

Touser zegt op het moment van schrijven 'vris en gesont' te zijn, maar laat blijken dat hij wel behoorlijk ziek is geweest. Dat is wellicht ook de reden dat hij heimwee heeft en de reis beu is. Dat is ongetwijfeld veroorzaakt door het autoritaire optreden van zijn kapitein, die, zodra hij enigszins aan de beterende hand was, hem dwong te werken en uitschold vor 'luijiert' (luiaard) terwijl hij nog niet tot werk in staat was. Het blijft enigszins onduidelijk of Touser het hier over kapitein Sextroh heeft of een andere kapitein waarmee hij gevaren heeft, want Touser zelf kan niet schrijven en heeft de brief op laten stellen door Johan Willem Sextroh. Sextroh laat de vrouw van zijn oppertimmerman groeten uit naam van haar man Jan Willem Wittemans. Touser zelf informeert naar de gezondheid van zijn vrouw en kinderen en zegt hen erg te missen. Zoals zoveel zeevarenden wil hij proberen voor zichzelf een voordelig handeltje te sluiten. Hij heeft kennelijk zijn vrouw beloofd koffie in te kopen in de West, maar dat blijkt tegen te vallen, want de prijs van koffie op Curaçao is even hoog als die thuis in Zierikzee, wel 7 stuivers per pond.

Wat meteen opvalt in deze brief is het laaggeletterde taalgebruik van de schrijver. Hij schrijft zijn eigen naam en die van Touser zonder e, maar ook in het woord timmerman ('timrman'). In woorden als 'han' (aan) en 'ooren' (horen) en 'geadt'(gehad) is duidelijk het Zeeuwse dialect van de schrijver herkenbaar. De brief is meegegeven met het schip de Harmonie van schipper Cornelis Reijnders, maar wordt door de Engelsen gekaapt.

De reis van de Vrouw Catharina Jacoba (1780-1782)

Curacao 1782 Rijksmuseum RP P OB 85233Zierikzee is in de 18de eeuw een florerende haven, maar in het derde kwart lopen de winsten terug en proberen reders zich op West-Indië te richten. In 1780 reden zij zo'n dertig schepen uit die dat jaar ongeveer honderd reizen maken. Een van die schepen is het fregat de Vrouw Catharina Jacoba van de reder Gilles van IJsselstein (zie ook andere Zee(uw)post brieven) met als kapitein Johan Willem Sextroh. Het schip vertrekt op 28 juli 1780 met stukgoed en dertig bemanningsleden naar Sint-Eustatius via Curaçao.[1] Als op 20 december 1780 de Vierde Engelse Oorlog uitbreekt wordt in februari 1781 St. Eustatius ingenomen. Curaçao blijft voor de Nederlanders behouden. Het schip van Sextroh wordt gevorderd en wordt ingezet in de wateren rondom het eiland. Sextroh zet extra bemanning aan boord, tot 84 koppen en het schip wordt met 31 stuks geschut bewapend. Het patrouilleren neemt de nodige tijd in beslag, zodat Touser voorlopig nog niet naar huis kan. Het schip blijft tot 5 april 1782 kruisen in de wateren rond Curaçao, waarna het rustiger is en het schip op 20 juni 1782 (onder Oostenrijkse vlag) terugkeert in de haven van Amsterdam na een reis van bijna twee jaar.[2] De vrouw van Touser zal bijzonder blij zijn geweest dat haar man zonder gevangengenomen te zijn langs de Engelsen heeft weten te komen. Wat er verder van Touser is geworden is niet bekend, aangezien er geen verdere gegevens over hem of zijn vrouw zijn is hij misschien later verhuisd. Kapitein Sextroh zou grote bekendheid verwerven door na deze reis als kaperkapitein de Engelse pakketboot Dolphin buit te nemen met zijn schip de Goede Verwagting.

Literatuur

Noten

  1. F. van der Doe, 'Zeevarenden in het 18de-eeuwse Zierikzee', 49-56
  2. Erik van der Doe, 'De kaper gekaapt', 104-105

 

 

 

 

 

 

 

Bij deze context horen de volgende brieven: