Wat zoek je in de Digitale Collectie Zeeland?

Inhoud brief

Het bijzondere aan deze brief is dat de schrijver, J. Rolbers zijn brief niet alleen adresseert aan een logementshouder, maar hierbij ook de naam van het logement noemt: Zeemans Welvaren bij het dok, waarmee waarschijnlijk het 'dokje van Perry' of het daaraan gelegen s lands dok' wordt bedoeld. Er is in dat gedeelte van de stad rond 1780 nog weinig bebouwing, wat er staat zijn doorgaans pakhuizen of bedrijfjes. Rolbers schreef op 22 november 1780 vanuit St. Eustatius aan Matthijs Artenaas, waarbij hij opende met ‘waarde baas en vrou.’ Dat duidt er op dat het ‘Zeemans welvaren’ door een echtpaar werd geleid en een verblijfplaats voor zeelieden of een logement is geweest. Rolbers was kennelijk van plan terug te keren en schreef dat ze zich niet ongerust moesten maken omdat de terugreis ernstige vertraging had opgelopen. Dat hij ook voordien in een goed logement ondergebracht was geweest, blijkt aan het slot van de brief waarin hij de groeten aan diverse mensen doet waaronder de ‘oude slaapvrouw van my van Middelburg.’ Op basis van deze (en andere) brieven kunnen we concluderen dat zeelieden ook vriendschappelijke banden onderhielden met hun slaapbazen/bazinnen en dit lang niet altijd zielverkopers zullen zijn geweest. Een beeld dat de afgelopen decennia wel was ontstaan in de vakliteratuur, maar door deze brieven van gewone mensen nu kan worden bijgesteld.[1]

Noten

  1. blog over logementhouders op weblog ZB






Bij deze context horen de volgende brieven: