Wat zoek je in de Digitale Collectie Zeeland?

Samenvatting inhoud brief:

SK A 439Veroverde Engelse schepen na de Vierdaagse Zeeslag De veroverde schepen 'Swiftsure', 'Seven Oaks', 'Loyal George' en 'Convertine' worden het Goereese Gat binnengebracht na de Vierdaagse Zeeslag, 11-14 juni 1666, olieverf op doek, Willem van de Velde de Jonge, 1666, Collectie Rijksmuseum Amsterdam, SK-A-439 Maeike Jans en Jan Leijnsen, moeder en zoon schrijven beiden op 20 augustus 1664 een wanhoopsbrief aan hun zoon en broer Cornelis Leijnsen, stuurman op een kaperschip bij Martinique onder kapitein Simon Brant. Ze geven deze brief mee met schipper Gerrit Tanghe.
Broer Jan zegt Cornelis dat het gezin nog gezond is en zou graag van hem horen dat hij dat ook is. Hij laat weten dat ze zijn twee brieven samen met de cocosnoten hebben ontvangen die ze via schipper Jacop Huaerts met grote blijdschap hebben ontvangen.
Moeder was ontzettend opgelucht toen de brieven ontvangen werden en had het met het uitblijven van berichten over Cornelis bijzonder moeilijk gehad. Ze was niet zozeer blij dat hij berichtte van een buitgemaakt schip waarvoor hij buitgeld zou toucheren, maar vooral omdat ze een teken van leven van hem kreeg, want er was veel wanhoop in het gezin geweest over zijn mogelijke lot. Heel vaak moesten vader en moeder bij het avondeten huilen als drie van de vier zonen en dochters aan tafel zaten en moeder sprak:’mijn 3 kinder bin hier ende vreese
dat ick de 4 mijn leven niet sien en sal.
’ Moeder had slechts twee brieven van Cornelis ontvangen tijdens zijn reis en daaruit begrepen dat hij God om genade had gevraagd voor zijn begane zonden. Jan drukt hem dan ook op het hart niet nogmaals in zonde terug te keren en te leven. In het gezin heerst kennelijk onvrede over de werkgever van Cornelis, een functie als stuurman op een kaperschip, want Jan schrijft: ‘Moeder is wel bedroeft dat ghij sulcken droeifighen faert gaet varen.’ Cornelis heeft bovendien laten weten dat er met een Spaanse commissiebrief wordt gevaren in plaats van een Nederlandse. Bartel Brandt heeft al aangegeven dat de ‘prijs’ (het buitgemaakte schip) in dat geval naar een Spaanse haven gebracht zou moeten worden, zodat de Spaanse admiraliteit er dan recht over kon spreken en haar deel van het buitgeld kon innen. Jan is bang dat als dat niet gebeurd zijn broer Cornelis als piraat zal worden beschouwd en wordt opgehangen: ‘want de koninck moet er sijn part van de pris hebben of het en sla niet wel gaen met u l[ieve].’ Iets waarvoor ook moeder bevreesd is: ‘Daerom siet toe hoe dat ghij vaert, moeder vreest dat ghij noch aen een galghe vaeren sult, [d]aer Godt u belieft voor te bewaren.’ 
Moeder is zelfs zo beschaamd om het werk van haar zoon dat ze op vragen niet durft te antwoorden. Ze hoopt dat Cornelis samen met Bastiaen Pietersen thuis zal komen, hetgeen haar een rijk van geluk zou maken. Van Cornelis hebben ze begrepen dat hij geen enkele brief van hen ontvangen heeft terwijl Maeike Jans er wel acht geschreven had, zowel naar Venetië als naar Calais met kleding en lijnwaad en al, maar dit is retour teruggekomen. Hieruit valt op te maken dat Cornelis wellicht niets meer met zijn familie te maken wil hebben en hen de spullen teruggestuurd heeft. Jan smeekt zijn broer opnieuw naar huis te komen en verwijt hem zijn levensgang: ‘Waerom sockelt ghij hier als een vremdelinck en als een die geen huis en heeft.’ Als hij thuiskomt kan hij zich opnieuw bekeren en zijn leven naar God inrichten: ‘Want daer de provisie ophout, daer wordt de volcke ontbloot.

Jan meldt ook nog enkele korte familieberichten aan zijn broer. Grootmoeder overleed op 2 mei 1664 en Jan de Springer is begin augustus getrouwd met Neeltje Allaerts. Jan had het zeer op prijs gesteld indien Cornelis daarbij had kunnen zijn. Vader is uitgevaren als bemanningslid onder schipper Leendert Mathijssen met het schip de Roselaer. Dit schip gaat naar West-Indië en Jan hoopt dat zij elkaar zullen ontmoeten. Er komt nog 14 Pond Vlaams (84 gulden) te kort om neef Huibrecht te betalen. Na een groet van het hele gezin, moeder, zus, Louwerein Leijnsen oma Janneken en Jan de Springher en zijn vrouw sluit Jan af, maar niet voordat hij nog een laatste oproep aan hem doet om thuis te keren en ook tegen Simon Brant te zeggen dat zijn vrienden willen dat hij thuiskomt.

De Tweede Engelse Oorlog (1665-1667)

Strenge scheepvaartwetten van de Britten, die onder meer export van Britse goederen naar niet-Britse landen door buitenlanders verboden, lagen ten grondslag aan de oorlog tussen de Republiek en Groot-Brittannië. Ook constante conflicten in de koloniale gebieden vormden hiervoor de aanleiding. Zo veroverden de Britten in 1664 Curaçao en Nieuw-Amsterdam en werden door Robert Holmes Nederlandse forten op de Afrikaanse kust ingenomen. De Ruyter, die op strafexpeditie naar Afrika en West-Indië werd gestuurd, heroverde deze forten weer. Een door de Staten-Generaal in oorlog geïnitieerde actie die tegenwoordig nogal eens volstrekt buiten de context wordt uitgelegd als zou De Ruyter hiermee bewust de slavenhandel en slavernij in stand gehouden hebben.
De oorlog werd vooral ter zee uitgevochten. De Britten namen 522 Nederlandse koopvaardijschepen buit. Tijdens deze oorlog zat het de Britten niet mee. In 1665 brak de pest uit in Londen en op 12 september 1666 woedde een grote brand in de stad. De eerste zeeslag, die van 13 juni 1665 in de Slag bij Lowestoft werd nog gewonnen door de Britten, maar in de Vierdaagse Zeeslag (11-14 juni 1666) trokken de Nederlanders aan het kortste eind. De Tweedaagse Zeeslag (4 augustus 1666) was wederom een overwinning voor de Britten, waarna Terschelling in de as werd gelegd. Raadpensionaris Johan de Witt revancheerde zich met een plan om de thuisbasis van de Engelse vloot aan te vallen. Tussen 19 en 24 juni 1667 voer een vloot onder De Ruyter de Thames op en vernietigde bij Chatham drie kapitale en tien andere oorlogsschepen en nam het vlaggenschip HMS Royal Charles op sleeptouw als buit mee naar de Republiek. Op 31 juli 1667 werd de Vrede van Breda gesloten tussen beide mogendheden.

Literatuur
*J.R. Bruijn, The Dutch Navy of the seventeenth- and eighteenth centuries (Columbia (South Carolina), 1993). 
*Gijs Rommelse, The Second Anglo-Dutch War (1665-1667). Raison d’état, mercantilism and maritime strife (Hilversum, 2006). 
*A. Doedens, Liek Mulder, Nederlands-Engelse oorlogen. Door een zee van bloed in de Gouden Eeuw, 1652-1674 (Zutphen, 2016).

Noten


Bij deze context horen de volgende brieven: